Basiskennis: Lichtgevoeligheid (ISO) en ruis

Meer...

  • Sigma komt met SD1 van hout
  • Officiële foto’s Sony NEX-3N gelekt
  • Sigma 35mm f1.4 DG HSM gaat € 950 kosten
  • FV Flickr Top 5 (34)
  • Ook DxOMark resultaat Nikon D800 bekend
Door -

De lichtgevoeligheid van de sensor wordt uitgedrukt in ISO. Veelal een waarde tussen de 100 en 6400. Maar hoe kun je hier het beste mee omgaan? Het is bijna niet meer voor te stellen, maar in de tijd van fotorolletjes moest je voor verschillende lichtomstandigheden andere films gebruiken, meestal variërend van 100 tot 400 ISO. Dat was erg onhandig, want het betekende dat soms halverwege een rolletje moest terugspoelen en een nieuwe rol film gebruiken. Met de komst van de digitale camera kun je direct overschakelen naar een andere lichtgevoeligheid en zo makkelijker inspelen op verschillende situaties. In de automatische stand doet de camera dit geheel automatisch voor je, maar er zijn diverse situaties waarbij je de ISO-waarde beter zelf kunt instellen.

ISO en ruis

Een sensor heeft altijd een optimale stand waarin de hoogst mogelijke beeldkwaliteit gehaald wordt, met minimale beeldruis. In de meeste gevallen is dit de laagste ISO waarde (veelal ISO 100). Om verschillende ISO-standen te simuleren wordt de spanning op de sensor verhoogd, waardoor deze gevoeliger wordt voor licht. Je kunt dan foto’s blijven maken met hoge sluitertijden, zonder dat je een statief nodig hebt. Het gevolg is wel dat er meer beeldruis ontstaat, naarmate de ISO opgeschroefd wordt. In de automatische stand kiest de camera zelf de juiste lichtgevoeligheid, afhankelijk van de hoeveelheid omgevingslicht en de sluitertijd die behaald kan worden. Aangezien langzame sluitertijden (minder dan 1/60e seconde) meestal leiden tot bewogen (en dus onscherpe) foto’s is meer lichtgevoeligheid van de sensor wenselijk wanneer er weinig licht is. Bijvoorbeeld ’s avonds, maar ook in binnensituaties.

Dankzij de almaar beter wordende sensoren kun je tegenwoordig prima uit de hand fotograferen in combinatie met hoge ISO-waarde.  De foto hierboven is gemaakt met een lichtgevoeligheid van 3200 ISO.

Praktijk

Voorbeeld: stel je camera staat ingesteld op 100 ISO en je zit in het theater, met relatief weinig licht. De camera zal dan mogelijk maximaal een sluitertijd van 1/15e seconde halen (of nog langzamer), met als gevolg dat de opname vrijwel zeker bewogen is. Flitsen is (op grote afstand) geen optie, dus de enige mogelijkheid is een hogere lichtgevoeligheid. Als je je camera op 400 ISO zet kun je een sluitertijd van 1/60e halen. Dit is in veel gevallen voldoende, tenzij het onderwerp heel snel beweegt. Een gevoeligheid van 1600 ISO zou zelfs een sluitertijd van 1/250e mogelijk maken, waardoor de opname zeker haarscherp is. Uiteraard zijn sluitertijden gekoppeld aan diafragmawaarden en die zijn weer afhankelijk van de lichtsterkte van je lens. Kan je camera hoge ISO-waarden aan en leveren die nog een goed resultaat op, dan kun je met een standaardlens (b.v. f5.6) al snel bewegingsvrije foto’s maken. Is 400 ISO het maximaal bruikbare, dan is een lichtgevoelige lens (b.v. f2.8) waarschijnlijk noodzakelijk. Met een f2.8 lens kun je op 400 ISO dezelfde sluitertijden halen als met een f5.6 lens op 1600 ISO.

Op ISO 100 produceren compactcamera’s prima beeldkwaliteit. Op hogere ISO’s zoals ISO 1600 verliest de opname kleur en worden details korrelig en ruizig (zie hierboven).

De resultaten per camera verschillen nogal. Sommige compactcamera’s maken op 800 ISO nog bruikbare foto’s, terwijl met andere modellen beter alle ISO-standen boven de 200 vermeden kunnen worden. Dit heeft te maken met de ruisalgoritmes van de camera en de sensoromvang. Hoe groter de sensor, des te groter de pixels ook zijn en hoe meer licht ze opvangen. De lichtgevoeligheid kan dan verder worden opgevoerd. Daarom zie je vaak dat compactcamera’s vaak niet verder gaan dan 1600 ISO, terwijl 6400 ISO bij digitale spiegelreflexen al zeer gebruikelijk is. Dat verklaart tegelijkertijd waarom een spiegelreflex over het algemeen minder ruis produceert, waardoor hogere ISO’s gebruikt kunnen worden. Grofweg kunnen we stellen dat 400 ISO ongeveer overeenkomt met 1600 ISO op een digitale spiegelreflex. Het is dus zaak om uit te zoeken tot welke lichtgevoeligheid je camera bruikbare resultaten oplevert. Een lage ISO-waarde leidt tot weinig ruis, maar mogelijk een bewogen opname door trage sluitertijden. Een hoge ISO-waarde biedt scherpere resultaten, maar ook meer beeldruis.

ISO 1600 op een spiegelreflex (Nikon D5000, boven) en een willekeurige compactcamera.

De meeste digitale spiegelreflexen (en alle compactcamera’s) bieden tegenwoordig een Auto-ISO stand. Hoewel het beter is om alle instellingen in eigen hand te houden, worden de mogelijkheden voor gevorderd gebruik vaak onderschat. Auto-ISO is niet alleen handig voor beginners. In de automatische stand van je camera zal de lichtgevoeligheid van de sensor (ISO) automatisch door de camera worden bepaald, net zoals de sluitertijd en het diafragma. Is er genoeg licht, dan zal de camera een lage lichtgevoeligheid kiezen, zoals ISO 100 of 200 en bij weinig licht zal dat opgeschroefd worden naar ISO 400 en hoger. Vooral wanneer de flits uitstaat, zal de lichtgevoeligheid flink opgevoerd worden om het beperkte licht te compenseren.

Met een hoge lichtgevoeligheid kun je zonder probleem uit de hand blijven fotograferen. Maar vanaf ISO 800 en hoger krijg je wel te maken met een vervelen neveneffect: ruis. Je kunt de ruis beperken door continu mee te denken met je camera. Wil je in het donker fotograferen, gebruik dan eventueel een statief zodat je lagere ISO-waarden kunt gebruiken. Is het fotografen met hoge ISO’s noodzakelijk, let er dan op dat de camera dit op een acceptabel niveau doet. De ene camera produceert al storende ruis op ISO 800, terwijl de andere probleemloos op ISO 3200 gebruikt kan worden. Controleer welke stand voor jou nog acceptabel is en zorg ervoor dat de lichtgevoeligheid hier niet bovenuit komt. Bij sommige camera’s kun je de maximale waarde ook instellen (wat een hoop ellende kan voorkomen).

Bij sommige camera’s kun je de maximale ISO-waarde instellen

Handmatige ISO

Gevorderde fotografen houden het liefst alles in de hand, dus ook de ISO-waarde. Maar toch kan Auto-ISO erg handig zijn in bepaalde situaties. Bijvoorbeeld wanneer je fotografeert in een omgeving met grote contrastverschillen. Denk bijvoorbeeld aan een voetbalwedstrijd, waarbij een deel van het veld in de felle zon staat en een ander deel in de schaduw. Beide delen vragen eigenlijk om afzonderlijke instellingen, maar dat is lastig tenzij je met twee camera’s werkt. Auto‑ISO kan hierop inspelen, zodat de waarden voor de sluitertijd en het diafragma nagenoeg gelijk kunnen blijven. Soms kun je zelfs instellen wanneer de camera Auto-ISO mag gebruiken, bijvoorbeeld alleen wanneer de sluitertijden onder de 1/100e seconde dreigen te geraken (en soms kun je ook een maximale ISO-waarde). Auto-ISO is dus niet alleen iets voor consumentencamera’s, ook professionele modellen beschikken hier tegenwoordig over. De stand is erg handig, maar let er op dat de lichtgevoeligheid niet hoger wordt dan noodzakelijk.

Hierboven zie het effect van het verhogen van de ISO-waarde, getest op een Canon EOS 60D met de volgende ISO-waarden: 1600, 3200, 6400, 12.800 (let op: de foto is een uitsnede van een grotere foto op 100%)

Heb je geen statief bij je en wil je een bepaalde foto in zeer slechte lichtomstandigheden maken? Je enige redding is dan de ISO opschroeven naar een hoger niveau. Misschien wel hoger dan je lief is. Het is dan kiezen tussen ruis of een onscherpe foto. Met een lage ISO-waarde zal je camera een te lange sluitertijd kiezen. Het gevolg daarvan is dat er bewegingsonscherpte ontstaat. Bijvoorbeeld door lichte trillingen van je hand (die versterkt worden naarmate je meer tele gebruikt) of door een bewegend onderwerp. Bewogen foto’s zijn slecht via beeldbewerking te corrigeren. Onscherp blijft vaak onscherp. Ruis daarentegen is tegenwoordig met behulp van gespecialiseerde ruisreductiesoftware redelijk makkelijk te verminderen – in ieder geval tot het punt waarop het niet meer storend is. Hieronder zie je een (sterk uitvergroot) voorbeeld. Voor de eerste twee foto’s is ISO 12.800 respectievelijk 6400 gebruikt. De ruis is nadrukkelijk aanwezig, maar de foto is scherp. Bij de laatste twee foto’s (ISO 3200 en 1600) is de ruis veel minder storend, maar is de foto wel bewogen – dus onscherp…

Oeps, ISO vergeten…

Een veelgemaakte fout met digitale spiegelreflexcamera’s is een verkeerde instelling van de ISO (oftewel de lichtgevoeligheid). Wanneer je in omstandigheden met weinig licht fotografeert, is het logisch dat je de lichtgevoeligheid van de sensor aanpast door de ISO-stand op te voeren naar bijvoorbeeld 1600 ISO. Een veelgemaakte fout is echter dat de camera vervolgens op die stand blijft staan, ook wanneer ondertussen buiten gefotografeerd wordt met prachtig weer. Niets is erger dan bij volle zon met ISO 1600 fotograferen, want het gevolg is dat je foto’s er  grof en korrelig uitzien, terwijl dat volstrekt onnodig is. De meer gevorderde camera’s tonen vaak de ISO-stand in de zoeker of lcd-scherm, maar helaas lang niet allemaal. Probeer met enige regelmaat je instellingen en de opnamegegevens van je gemaakte foto’s te controleren. Ook wanneer je inzoomt op je foto’s kun je ontdekken dat je een te hoge ISO-stand gebruikt. Wanneer je camera opeens vrij hoge sluitertijden gebruikt (van bijvoorbeeld 1/2000e seconde), kan dit een teken zijn dat de lichtgevoeligheid van de sensor te hoog staat ingesteld. Het is helemaal veilig om standaard de ‘auto-ISO’-stand te gebruiken en alleen in bepaalde situaties de lichtgevoeligheid te verhogen.

Pin It
redactie
redactie

  • Laurens Legerstee

    De laagste sluitertijd voor uit de hand fotograferen is gelijk aan 1/(f objectief) seconde. 50mm bijvoorbeeld is 1/50 seconde, 200mm is 1/200 seconde. Met een niet al te hoge resolutie is dit te doen. Verder is het gewicht van je camera van belang. Meer massa is moeilijker in beweging te krijgen dus hoe zwaarder je camera is hoe beter. Je kunt ook het gewicht buiten het midden van je camera plaatsen. Een externe flitser, een lang objectief en een batterijgreep werken daar erg goed voor.

    • Pierre Timmermans

      En dan voor het “gemak” ook nog even rekening houden met je cropfactor….
      Dus 50mm op een cropcamera van Canon is dus niet 1/50 sec maar 1/80 sec, op een crop Nikon 1/75 en op een MFT 1/100 sec (alles als vuistregel hè, er zijn veel zaken waardoor je de sluitertijd langer krijgt zonder een bewogen foto te hebben). Laten we het maar niet over compacts hebben…..

      • Laurens Legerstee

        Iemand met een 400d legde me dat uit. Ik denk dus dat het geldt voor aps-c camera’s. Ik heb zelf een 8.2 megapixel 20d. Bij die camera werkt de vuistregel dus goed. Het kan ook zijn dat het geldt voor kleinbeeldformaat films. In dat geval blijft het uitproberen.
        Een andere brandpuntsafstand gebonden vuistregel is er met het fotograferen van sterren. Hoe langer de brandpuntsafstand des te sneller bewegen de sterbeelden over de sensor. Je kan dus ook niet zo heel lang belichten. Verder moet je rekening houden met de grootte van de pixels. Sterren die dichter bij de hemelpool staan kunnen langer belicht worden. Gelukkig heb ik een telescoop met volgmontering waar ik mijn camera op kan zetten (piggyback).