Nikon 1 V1 review

Meer...

Door -

De specificaties van de beide Nikon 1 toestellen (de V1 en J1) ontlopen elkaar niet echt, maar de V1 is het huidige topmodel. De camera beschikt over een CMOS sensor met 10 megapixels, een 7,6 cm lcd-scherm met 921.000 beeldpunten, een stereomicrofoon en 1080p Full HD video. De camera is in staat om 10 foto’s per seconde te produceren op volle resolutie. Dat is een prestatie voor een dergelijk compacte camera, al kunnen de Sony NEX-5N en NEX-7 dat ook. Ook blinkt de V1 uit met maar liefst 73 autofocuspunten. Eveneens bijzonder: als eerste systeemcamera beschikken de Nikon 1′s standaard over fasedetectie autofocus. De camera schakelt zelf tussen contrast- en fasedetectie en kan daarmee optimaal inspelen op verschillende lichtomstandigheden.

Algemeen
 
Merk Nikon
Productnaam 1 V1 Black + 10-30mm VR kit
Productcode VVA101K001
Details Productinfo
Specificaties
Type camera Systeemcamera
Beelden per seconde 60 fps
Aantal autofocuspunten 135
Ingebouwde flitser
Automatisch scherpstellen
Handmatig scherpstellen
Sluitertijd (min.) 1/16000 sec
Sluitertijd (max.) 30 sec.
Verwisselbare lens
Sensor
Resolutie 10.1 MPixel
Beeldsensor type CMOS
Max. fotoresolutie (horizontaal) 3872 pixels
Max. fotoresolutie (verticaal) 2592 pixels
Beeld
Foto’s – JPEG
Foto’s – RAW
Rode ogen-reductie
Automatische witbalans
ISO gevoeligheid minimaal 100
ISO gevoeligheid maximaal 6400
Beeldscherm / zoeker
Beeldschermdiagonaal 3 inch
Live view
Kantelbaar scherm
Aansluitingen
USB 2.0 aansluiting
Bluetooth
HDMI-aansluiting
WiFi verbinding
Externe flitser aansluiting
Fysieke eigenschappen
Afmetingen – Hoogte 7.6 cm
Afmetingen – Breedte 11.3 cm
Afmetingen – Diepte 4.35 cm
Gewicht 383 gram
Batterijduur (CIPA) 400 foto’s
Opslag
MicroSD
Secure Digital
Secure Digital High Capacity (SDHC)
Secure Digital Extended Capacity (SDXC)
CompactFlash
Memory Stick Pro Duo
xD-Picture Card
MultiMediaCard
XQD
Video eigenschappen
Video opnemen
Max. videoresolutie (horizontaal) 1920 pixels
Max. videoresolutie (verticaal) 1080 pixels
Video framerate 30 fps
Meegeleverde kitlens
Inclusief kitlens?
Type lens Nikon 1 VR 10-30mm f/3.5-5.6
Brandpuntsafstand (min.) 10 mm
Brandpuntsafstand (max.) 30 mm
Maximaal diafragma (uitgezoomd) f/3.5
Maximaal diafragma (ingezoomd) f/5.6
Tweede kitlens
Inclusief tweede kitlens?

De Nikon 1-serie heeft een processor die volgens Nikon vele malen sneller is dan die in de meeste professionele camera’s en het is deze snelheid die achter een aantal nog nooit eerder vertoonde functies zit. Zo onderscheiden de camera’s zich met zogenaamde ‘pre-post capture technologie’. De V1 èn de J1  beginnen al met opnemen voordat je de sluiterknop volledig indrukt en gaan door nadat je geklikt hebt. Daarnaast zijn er nog andere nieuwe functies die dankzij de snelheid mogelijk zijn.

Motion Snapshot

De leukste nieuwe functie is Motion Snapshot (MSS), die een soort Harry Potter-achtige foto’s produceert waarin beweging zit. Het neemt tegelijkertijd een film in slow motion en een stilstaand beeld op en combineert deze twee direct tot een foto die beweegt. Aan het eind volgt er een fade-out. Het is een soort snapshot in een korte slow motion video. Het idee is in ieder geval leuk!

Smart Photo Selector

De Smart Photo Selector (SPS) schiet 20 foto’s op volle resolutie in de tijd die het gewoonlijk kost om één foto te nemen: je drukt één keer op de sluiter en, door gebruik te maken van de pre-post capture technologie, begint de camera foto’s te nemen nog voor je de knop volledig hebt ingedrukt. Je vijf ‘beste’ foto’s worden opgeslagen op basis van gezichtsuitdrukking, compositie en focus en de ‘perfecte’ shot wordt voor je weergegeven. De camera bepaalt zelf welke foto’s het beste zijn (al kun je dat ook handmatig doen).

Bouwkwaliteit

De V1 is het huidige topmodel van de Nikon 1-serie. Deze is gebouwd rondom een stevige magnesium behuizing, waardoor de camera tegen een stootje kan. Ook heeft hij een ingebouwde elektronische zoeker (EVF) op basis van TFT, met 1,4 miljoen beeldpunten (dots). In tegenstelling tot de J1 heeft de V1 standaard geen flitser aan boord. Wel is er een accessoirepoort, waarop een bijpassende (compacte) externe flitser (SB-5N) kan worden aangesloten, met een kantelbare en draaibare kop. Ook andere accessoires, zoals een optionele gps, zijn beschikbaar. 

In september kondigde Nikon officieel aan dat ze in de nieuwe markt van systeemcamera’s gingen stappen. Momenteel liggen zowel de V1 als de J1 mondjesmaat in de winkels. Enkele weken terug hebben we een testexemplaar ontvangen – de V1 – en kunnen we een concreet oordeel vellen over Nikon’s nieuwe cameraconcept. In deze review bekijken we, na een eerdere hands-on preview, hoe de Nikon 1 V1 functioneert, welke mogelijkheden de camera biedt en hoe hij zich verhoudt tot concurrerende camera’s.

Aan Nikon’s nieuwe cameraconcept is volgens eigen zeggen vijf jaar gewerkt. Nog voordat de eerste systeemcamera’s het licht zagen, waren engineers bezig de camera van de toekomst te ontwerpen. Dat deden ze door ‘out-of-the-box’ te denken, dus zonder dat deze camera per se bepaalde technische eigenschappen moest hebben. Zo was het bijvoorbeeld niet nodig om een bestaande sensormaat te gebruiken of om uit te gaan van een spiegelreflex met spiegelconstructie en prismahuis. Toch heeft Nikon nu al drie jaar de kat uit de boom gekeken. Toen Panasonic en Olympus in 2008 de met eerste systeemcamera’s zonder spiegel op de proppen kwamen, kwam er geen antwoord. Sony en Samsung kwamen daar wel mee en ook Pentax heeft met de ‘Q’ tegenwoordig een soort systeemcamera (op basis van de sensor van een compactcamera). Ondanks de lange voorbereidingstijd is Nikon dus rijkelijk laat met haar intrede in deze markt. Naar verluidt worden Canon en Fujifilm echter de echte hekkensluiters. Op de Photokina van 2010, toen de eerste geruchten over een Nikon CSC opdoken, werd ons destijds verteld dat de verkopen van systeemcamera’s nog niet overtuigend genoeg waren. Dat was waarschijnlijk ook de reden voor de late introductie.

Nieuw concept

Als laatkomer moest Nikon wel met een origineel concept komen. Tijdens de persintroductie vertelde men bewust geen ‘me too‘-product te willen afleveren. Want dat zou een systeemcamera zoals die van Sony en Samsung geworden zijn, op basis APS-C sensor. Aangezien Nikon deze sensoren al gebruikt, lag dit wel het meest voor de hand. Als enige fabrikant kwam Nikon echter met een compleet nieuwe sensormaat. Geen MFT-sensor zoals Panasonic en Olympus die ook in hun spiegelreflexcamera’s gebruiken, geen APS-C zoals Sony en Samsung inzetten en zeker ook geen compactcamera-sensor, zoals die van de Pentax Q. Maar wat is de impact van deze opvallende keuze?

Wanneer we de sensorformaten vervolgens aanvullen met een fullframe sensor (gebaseerd op het oorspronkelijke 35mm formaat van dia/negatieffilm), dan ziet het plaatje er zo uit. Je ziet dan dat de CX-sensor weliswaar vier keer zo groot is als die van een compactcamera, maar toch beduidend kleiner is dan een APS-C en MFT sensor (laat staan een fullframe sensor). In theorie zou dat ten koste moeten gaan van het dynamisch bereik, de details en de signaalruisverhouding.

10 megapixels

Uiteraard is dat iets waar Nikon rekening mee heeft gehouden. De eerste Nikon 1-camera’s (de V1 en J1) zijn dan ook uitgerust met een splinternieuwe CMOS sensor met 10,1 megapixels. Het aantal pixels is relatief laag vergeleken met andere nieuwe camera’s van dit moment, maar dat is een bewuste keuze om de ruis op hoge ISO-waarden laag te houden. De camera’s bieden ISO-standen van 100 tot en met 3200. Er is ook een optionele ‘extended’ ISO 6400-stand (die buiten de automatische ISO-reeks valt). Het is uiteraard mogelijk om in RAW te fotograferen. 

Expeed

De nieuwe Expeed 3-beeldprocessor is maar liefst vijf keer sneller dan de Expeed 2. De Nikon 1 camera’s zijn in staat om maar liefst 600 megapixels per seconde te verwerken, wat een enorme prestatie is (ter vergelijking: in 2007 vestigde Canon een record met de professionele 1D Mark III die 100 megapixels per seconde haalde). De snelle processor biedt volgens Nikon zeer krachtige ruisonderdrukking. Dankzij de capaciteit kan er ook op volle resolutie gefotografeerd worden tijdens het filmen.

Naast termen als EVIL, MFT, ILC, MILC en CSC hebben we er weer een nieuwe variant bij. Nikon kwam met A-CIL op de proppen, dat staat voor Advanced Camera with Interchangeable Lens. Het nieuwe sensorformaat (met een omvang van 1 inch) is door Nikon CX gedoopt, wat in lijn is met de Nikon-termen DX (APS-C) en FX (fullframe). In tegenstelling tot andere systeemcamera’s, waarbij uitgegaan werd van bestaande componenten (lees: de sensor), heeft Nikon naar eigen zeggen het cameraconcept geheel ‘from scratch‘ bedacht. Het was al snel duidelijk dat de spiegelconstructie moest verdwijnen om een compactere camera te produceren. Het verlies van fasedectectie via de spiegel en een aparte autofocus-sensor moest op een andere manier worden opgelost. Verderop in deze review gaan we dieper in op de gevonden oplossing.

Kleinere sensor, kleinere lenzen?

Tijdens de ontwikkeling hebben de engineers van Nikon gediscussieerd over de sensormaat, want de keuze voor een nieuw en relatief klein formaat roept toch vraagtekens op. Volgens Nikon was de voornaamste motivatie de compacte vormgeving van een nieuwe camera. Deze moest beduidend kleiner zijn dan een spiegelreflex. Nu slagen de huidige fabrikanten van systeemcamera’s daar al goed in (denk aan de Sony NEX, de Panasonic GF3 en de Olympus Pen E-PM1), maar zijn de objectieven nog steeds behoorlijk groot. Daar heeft men een punt. Door een kleinere sensor te gebruiken, zou het ook mogelijk zijn om kleinere lenzen te ontwikkelen.

Twee van de vier aangekondigde lenzen zijn dan ook bijzonder klein: de 10-30mm kitlens (18-55 APS-C) is zeer compact en de 30-110 telelens (55-200mm APS-C) is helemaal superklein voor een telelens. Aan de andere kant: de 10mm pancake is niet heel veel platter dan de pancakes van andere systeemcamera’s. De 10-100mm superzoom (vergelijkbaar met 18-200mm op APS-C) is bovendien juist bijzonder fors en niet kleiner dan Sony’s NEX 18-200mm of Panasonics 14-140mm. We vinden de 10-100mm een mooi objectief en dankzij de elektronische zoom zeer geschikt voor video, maar wat omvang betreft sluit hij niet aan bij de rest van het concept, dat vanwege de kleine sensor op zeer compacte objectieven gericht is. De camera is niet goed in balans met de 10-100mm en kan zelfs niet normaal op tafel staan, omdat de onderkant van het objectief zo uitsteekt.

CX vs APS-C

Om de CX-sensor in het juiste perspectief te plaatsen, zie je hieronder de afmetingen van een compactcamera en die van MFT en APS-C. Je ziet dan dat de CX-sensor bijna vier keer in een APS-C sensor past. De cropfactor van de CX-sensor is 2,7x. Ter vergelijking, die van APS-C is 1,5x en die van MFT is 2x (ten opzichte van fullframe sensoren).

Nikon belooft met een flink scala objectieven te komen om van de Nikon 1 CX-lijn een volwaardig camerasegment te maken. In eerste instantie zijn er vier modellen beschikbaar:

  • 10-30 f3.8-5.6 VR kitlens
  • 10mm f2.8 pancake
  • 30-110 f3.8-5.6 VR telelens
  • 10-100 f4.5-5.6 VR superzoom

De pancake, kitlens en telelens naast de J1 camera

 De 10-30mm kitlens (18-55 APS-C)

F-mount adapter

Met een F-mount adapter is het mogelijk ieder Nikkor objectief (of lens met F-mount vatting) op de V1 of J1 te bevestigen. Alle AF-S en AF-I NIKKOR-lenzen zijn compatibel met het Nikon 1-autofocussysteem. 

Filtermaat

De objectieven, met uitzondering van de 10-100, hebben een ietwat bijzondere filtermaat: 40,5mm. Deze maat bestaat echter wel al langer, dus je kunt er zeker uv-filters, protectors en polarizers voor vinden. 

Nikon biedt zowel contrastautofocus als fasedetectie in de nieuwe Nikon 1′s. Contrastdetectie wordt gedaan op basis van het binnenkomende beeld via de sensor, waarbij de camera op zoek gaat naar contrasten om scherp te stellen. De laatste tijd zijn er grote sprongen gemaakt op dit vlak, zoals eerder bleek uit onze reviews van de Panasonic G3 en Olympus Pen E-P3. Echter, nog steeds is er sprake van een bepaalde vertraging, omdat contrastdetectie het gehele scherpstelgebied scant voor het juiste punt. In de meeste gevallen is fasedetectie nog steeds sneller. Fasedetectie wordt gedaan door een speciale autofocussensor (met af-diodes) die op basis van beeldinformatie aan de linker- en rechterkant van het beeld (dat vergeleken wordt)  vrijwel direct de scherpstelling kan bepalen.

Integratie in de sensor

Nikon maakt geen gebruik van een speciale autofocussensor, maar heeft de af-diodes geïntegreerd in de sensor zelf. Dit is niet nieuw; Fujifilm deed dit al eerder met haar F300EXR en Z800EXR compactcamera’s (die schakelen tussen beide autofocusmodi), maar vanwege een beperkt aantal focuspunten en een beperkte positionering op de sensor, kwam dat niet echt goed uit de verf in de praktijk. Het liefst wil je dat er op praktisch iedere positie, dus door het hele beeld (en niet alleen in het midden bijvoorbeeld), autofocus mogelijk is. Dat is nu net wat Nikon gedaan heeft. Het is niet duidelijk bij welke leverancier Nikon de sensor besteld heeft, maar traditiegetrouw neemt Sony dat voor z’n rekening. Dat komt overeen met een patent van Sony uit 2009 waarin de gebruikte techniek beschreven wordt.

bron: patent van Sony

Blik op de sensor

Bekend is dat Nikon nu maar liefst 73 autofocuspunten verwerkt heeft in de sensor zelf. Dat aantal is zo groot, dat autofocus mogelijk is in een groot deel van het beeld (en niet alleen in het midden). Op de onderstaande foto zie je een indicatie hoe Nikon (of sensorbakker Sony) dat gedaan heeft. Als je goed kijkt zie je lijntjes, waarin waarschijnlijk de af-punten verwerkt zijn. Echter, als autofocus-diodes op de sensor zitten, gaat dat ten koste van fotodiodes. Dat zou dus tot ‘zwarte’ pixels leiden, ware het niet dat Nikon vermoedelijk interpolatie toepast om dit probleem te compenseren. Het is de vraag of – en in welke mate – dit gevolgen heeft voor de beeldkwaliteit. Interpolatie vaker wordt toegepast om defecte en hotpixels te verbloemen, dus vermoedelijk levert dit geen zichtbare problemen op.

Contrast- en fasedetectie

De autofocus van de Nikon 1-serie van Nikon schakelt automatisch tussen contrastdetectie en fasedetectie, afhankelijk van de omstandigheden. Deze hybride benadering zou volgens Nikon de snelste camera ter wereld opleveren. Men noemde zelfs expliciet dat de Nikon 1′s sneller zijn dan Nikons huidige professionele modellen (waarvan zeer waarschijnlijk op afzienbare termijn opvolgers verwacht worden, zoals de D400 en D800 – met de snelle Expeed 3 beeldprocessor).

Praktijk

Tijdens onze praktijktest presteerde de V1 uitstekend. De autofocus is inderdaad vrij rap en blijft ook onder lastige omstandigheden, zoals een donkere setting met weinig contrast, nog goed werken. Ook is de camera vrij effectief met het volgen van objecten (focus tracking). Toch zijn we er niet van overtuigd dat we de snelste camera ter wereld in handen hadden. Vooral wanneer contrastdetectie actief is, blijft er een zichtbare vertraging merkbaar.

Einde van de spiegelreflex?

Deze nieuwe autofocus-benadering roept de vraag op of traditionele spiegelreflexcamera’s (met spiegel en prismahuis) nog toekomst hebben. Als autofocussensoren net zo goed in de sensor verwerkt kunnen worden, is er weinig reden meer om daar een complexe spiegelcontructie met een aparte AF-sensor voor in stand te houden. Uitgezonderd natuurlijk het nut van een optische zoeker, die wel een spiegel nodig heeft. We zijn benieuwd of andere fabrikanten het voorbeeld van Nikon volgen.

In vergelijking met andere systeemcamera’s valt direct op dat de Nikon 1-camera’s niet beduidend kleiner zijn dan concurrerende producten als de Sony NEX-serie (zie onder), Panasonic GF3 en de Olympus E-PM1 (zie boven). Sterker nog, de genoemde bodies zijn allemaal significant platter dan de V1. Deze heeft nog als excuus dat hij over een ingebouwde EVF beschikt, maar de genoemde bodies zijn ook kleiner dan de J1. Dat valt ons wat tegen, want het compacte formaat was immers de reden voor Nikon om voor een kleinere sensormaat te kiezen. Je zou zeggen dat de camerabodies in potentie nog een stuk compacter moeten kunnen zijn.

Het verschil van de omvang van lenzen is wel duidelijker merkbaar. De foto hierboven toont de kitlens, die bij de Nikon 1-serie duidelijker een kleinere diameter heeft en minder lang is. Daarbij moeten we echter opmerken dat de Nikon 1-lenzen moeten worden uitgeschoven voordat je ze kunt gebruiken (zie de zwarte knop aan de rechterkant). Olympus gebruikt een vergelijkbaar systeem. Zonder dat de camera in gebruik is, is de lens dus uiterst compact. Echter, in die stand kun je géén foto maken. Je moet eerst de lens uitschuiven voor gebruik. De uitgeschoven lens is nog steeds compact, maar neemt in lengte wel behoorlijk toe.

De 10-30mm in de ‘uit’-stand en in uitgeschoven modus.

Het uitschuifsysteem is dus een truc om een lens optisch gezien kleiner te laten lijken. De lenselementen zitten dan allemaal bovenop elkaar, wat ook de reden is dat je in die toestand geen foto kunt maken. Niet alleen Nikon haalt deze truc uit, ook Olympus en Panasonic (met de 14-42 X) doen dit. Overigens vinden we de methode van Nikon prettiger dan die van Olympus. Bij de laatste moet je eerst schuiven en dan draaien. Bij Nikon druk je de knop in en vervolgens kan je de lens uitschuiven. Dat is net een stukje eenvoudiger. Sony en Samsung passen deze truc om objectieven kleiner te maken (nog) niet bij hun systeemcamera’s, maar Sony schijnt ook aan dergelijke objectieven te werken, getuige een recent patent

Met uitgeschoven lens is het verschil in lengte minder indrukwekkend.

Ook in avondlicht kun je met de V1 nog alle kanten op, zelfs al zijn er – op de 10mm f2.8 pancake na – nog geen lichtsterke objectieven. Op ISO 1600 en 3200 presteert de V1 alles behalve slecht. Zolang de sluitertijden maar hoog genoeg zijn, zijn de resultaten ook goed scherp. Ook de kleurweergave lijkt niet echt onder de hoge lichtgevoeligheden te lijden.

Nikon 1 V1- ISO 1600, 30mm, f3.8, 1/15e sec.

Nikon 1 V1 – ISO 1600, 110mm, f5.6, 1/20e sec.

Op 100% is ruis wel duidelijk zichtbaar op ISO 1600, maar het patroon is niet erg storend.

Nikon maakt wel duidelijk gebruik van ruisreductie op de hogere ISO-standen, wat merkbaar is aan details die wat onscherp zijn. Toch kunnen de resultaten er goed mee door. Vanaf ISO 1600 is ruis (op 100% weergave) wel duidelijk zichtbaar, vooral in egale luchtpartijen. Toch is het ruispatroon niet heel erg storend, het doet zelfs een beetje aan de analoge korrel denken. Nikon is er vooral goed in geslaagd om ruis in donkere partijen te minimaliseren. Normaal valt het daar het meeste op, maar bij de Nikon 1 V1 valt dat erg mee.

Nikon 1 V1 – ISO 6400, 30mm, f5.6, 1/20e sec.

Zelfs op de hoogste stand, ISO 6400, zien de foto’s er op klein formaat nog best acceptabel uit. Wanneer we ze op 100% weergave kijken, is ruis echter overduidelijk aanwezig. Details zijn in deze stand vrij grof en ruis is goed zichtbaar. Nog steeds weet Nikon ruispatronen in donkere delen aardig te voorkomen (dankzij ruisreductie), maar in de middentonen en overgangen van licht naar donker is het goed te zien. Wanneer kwaliteit er toe doet, zouden we het gebruik van deze stand willen afraden.

Op 100% is ruis overduidelijk aanwezig op ISO 6400.

Maar toegegeven… Waar Nikon mee scoort – wat betreft compacte omvang – zijn de objectieven. Deze zijn daadwerkelijk kleiner en compacter dan de meeste concurrenten, zelfs als we het uitschuifprincipe meerekenen. Met name de 30-110mm telelens is uitermate compact, zoals je hierboven en -onder kunt zien. Dat is zeker een concurrentievoordeel, want met name de telelenzen van de concurrentie zijn vrij fors, waardoor je eerder het gevoel hebt dat je een lens in je hand hebt dan een camera. Met de combinatie van de 10-30mm kitlens en de 30-110mm telezoom heb je een uiterst compacte combinatie, die weinig ruimte in beslag neemt.

De 30-110mm telelens (55-200mm APS-C) is echt uitzonderlijk klein

Toch zijn we – kritisch als we zijn – ook op dit vlak nog niet helemaal overtuigd. De objectieven zijn weliswaar over het algemeen kleiner, maar het verschil is niet schokkend. Bovendien laat Panasonic met de 14-42 X zien dat het nóg kleiner kan. De 14-42 X is bijna net zo plat als een pancake, maar biedt toch het volwaardige bereik van een standaard zoomlens. Bovendien is de MFT-sensor een stuk groter (en de beeldkwaliteit van de G3 of GX1 beter dan de Nikon 1-serie). Het is de vraag of enkel de iets kleinere objectieven een goede compensatie vormen voor de beduidend kleinere sensor. 

Superzoom

In combinatie met de 10-100 powerzoom wordt de V1 beduidend minder compact

De 1 Nikkor VR 10-100 mm PD-ZOOM is een superzoom met 10x optische zoom. Nikon heeft deze vooral ontworpen met video in het achterhoofd. De lens heeft een elektronische schakelaar (power-drive) waarmee gezoomd kan worden. De zoomsnelheid is instelbaar. Panasonic kondigde eerder lenzen met een elektronische zoomschakelaar aan (zoals de eerder genoemde 14-42 X).

Hoewel we de 10-100 een interessante lens vinden, vinden we deze qua omvang niet passen bij de huidige Nikon 1-camera’s. Het objectief is zo groot en zwaar dat je bijna beter een normale spiegelreflex kunt kopen. Vooral wanneer je de camera aanzet (zie hieronder), is de lens echt behoorlijk groot. Zo groot, dat je de camera niet eens meer plat kunt neerzetten.

De 10-100 in uitgeschoven positie (wanneer je de camera aanzet).

Ruis is in egale delen goed zichtbaar vanaf ISO 1600, maar stoort dan niet echt. Tot en met ISO 3200 blijft de V1 vrij goed presteren, daarna worden de details vrij grof en de ruis erg ‘korrelig’. Aan de testfoto zie je dat de V1 (rechts) wat ruis betreft goed mee kan komen met de Sony NEX-5N (links) en de Nikon D5100 (midden).

Wel zie je duidelijk de impact van het relatief geringe aantal megapixels. De V1 legt beduidend minder details vast, dankzij de lagere resolutie. 

Sony NEX-5N, Nikon D5100 en Nikon 1 V1

Minder details

Het detailverschil is goed zichtbaar wanneer we een deel van onze testkaart uitvergroten en de V1 naast de D5100 zetten. Je ziet dan duidelijk dat de V1 beduidend minder details toont en ook wat meer produceert.

In vergelijking met de D5100 biedt de V1 minder details en meer ruis

Iets anders dat ons direct opviel, was dat de programmastanden (PASM) niet via knoppen of draaiwieltjes kunnen worden ingesteld. Dat is opmerkelijk, met name op de V1, die gericht is op gevorderde gebruikers. De V1 heeft (net als de J1) een draaiwieltje met verschillende standen aan de achterzijde, maar de P/A/S/M-standen ontbreken. Dat vinden we een uiterst vreemde keuze, vooral omdat er fysiek voldoende ruimte is (omdat er toch al een draaiwieltje is). Volgens Nikon is dit gedaan om het ontwerp bewust eenvoudig te houden. Voor de J1 kunnen we ons daar iets bij voorstellen, maar voor de V1 absoluut niet. Nu moeten de P/A/S/M-standen via het menu worden opgeroepen en je bent dan al snel een klik of vier verder eer je bij de juiste stand bent. Ter referentie: de Sony NEX-serie heeft ook geen PASM-knop, maar deze is wel via één klik op de centrale knop oproepbaar.

Waar zijn de P/A/S/M-standen?

Vergelijking met de J1

De J1 is meer ontworpen voor de gemiddelde consument en niet voor de gevorderde amateurfotograaf. Deze beschikt wel over een interne flitser. Het aantal pixels op het lcd-scherm is een stuk lager (460.000) en een elektronische zoeker ontbreekt, waardoor je geheel op het scherm bent aangewezen. Het knoppenspel is grotendeels gelijk. De J1 is vooral bedoeld om op de volautomatische stand te gebruiken en is daardoor volgens Nikon minimalistisch ontworpen. De J1 is verkrijgbaar in de kleuren zijn hoogglans wit, matzwart, rood, roze(!) en zilver.

Vergelijking met andere camera’s

Nikon richt de Nikon 1-serie vooral op compactcamera gebruikers en in mindere mate op spiegelreflexbezitters die er een kleinere camera bij willen. Vanuit een compactcamera geredeneerd ga je er op alle fronten op vooruit: betere beeldkwaliteit, snelle autofocus, zeer uitgebreide mogelijkheden, verwisselbare objectieven, optionele accessoires en een stevige body. Vanuit een spiegelreflexbezitter bekeken gaat die vlieger niet helemaal op. Weliswaar heeft de V1 goede specificaties, maar twee argumenten ontbreken. Ten eerste is de beeldkwaliteit wat lager dan sommige concurrenten, mede door de kleinere sensor. Ten tweede beperkt een kleinere sensor de mogelijkheden met beperkte scherptediepte – en dat is nu juist wat een spiegelreflex- en systeemcamera onderscheidt van een compact. Deze twee eigenschappen verklaren juist de opkomst van de systeemcamera als compacter alternatief voor de spiegelreflex: de beeldkwaliteit en de scherptediepte is identiek (en vele malen beter dan een compactcamera).

Wie een foto met geringe scherptediepte wil produceren met de V1, moet erg z’n best doen. Lichtsterke f1.4 objectieven zijn er nog niet en zouden alsnog een relatief grotere scherptediepte bieden vanwege de kleinere sensor. Je zult dus al snel een telelens of een macrolens moeten gebruiken om dit effect te bereiken. Als je veel wilt spelen met scherptediepte kun je beter kiezen voor een spiegelreflexcamera (of systeemcamera met grotere sensor).

Een foto gemaakt met de Nikon 1 V1 waarbij scherpgesteld is op de voorgrond. De achtergrond is slechts beperkt onscherp. 

Prijs

Als we de Nikon 1-serie vanuit het perspectief van een compactcamera bekijken, is het voordeel wel duidelijk. Maar een spelbreker is toch wel de flinke prijs. De J1 zit met een adviesprijs van 599 euro (inclusief 10-30mm) in hetzelfde segment als de Sony NEX-5N en de Panasonic GX1, maar biedt niet dezelfde voordelen op het gebied van beeldkwaliteit en scherptediepte. Hij concurreert wat prijs betreft ook met Nikon’s eigen D3100. Als de prijs van de J1 al best pittig is, dan is de V1 helemaal gepeperd. Deze heeft van Nikon een prijskaartje van 869 euro gekregen (met 10-30mm lens). Dat lijkt ons simpelweg te hoog, vooral vanuit het perspectief van iemand die overstapt vanaf een compactcamera en dus vermoedelijk een beperkt budget heeft. Op het prijsniveau van de V1 is er zeer veel concurrentie, zowel van spiegelreflexcamera’s als meer betaalbare systeemcamera’s.

Hoewel de specificaties van de V1 niet slecht zijn, is hij niet zo veelzijdig als sommige concurrenten. Zo zijn concurrenten als de Sony NEX-C3, NEX-5N, Olympus PEN E-PL3 en de Panasonic G3 voorzien van een kantelbaar scherm. De V1 (en J1) niet. Ook zijn de meeste van de concurrenten voorzien van een aanraakgevoelig scherm, waarover de huidige Nikon 1′s niet beschikken. Verder bevat de V1 geen interne flitser en wordt deze ook niet (gratis) los meegeleverd, zoals bij Sony en Olympus. Je moet een externe flitser kopen en dus nog dieper in de buidel tasten. Overigens heeft de V1 wel een ingebouwde EVF, net zoals de Panasonic G3 en GX1. Maar verder valt de V1 niet op met andere innovaties zoals een ingebouwde GPS (zoals de Sony a55). Ook hiervoor moet extra betaald worden. Voor een adviesprijs van € 869 vinden we dat toch wat karig en biedt de concurrentie een beduidend betere prijs-prestatieverhouding.

Het is een slimme zet van Nikon om niet al te scheutig te zijn met het aantal megapixels op de V1. Het gemiddeld aantal pixels ligt momenteel op 16-18 megapixels, zowel voor compactcamera’s als spiegelreflexcamera’s. Slechts een enkele nieuwe camera beschikt over 12-14 megapixels. Nikon zit daar met 10 miljoen pixels flink onder, maar met reden. Allereerst kunnen we de fabrikant alleen maar gelijk geven dat de gemiddelde consument nauwelijks verschil in afdrukkwaliteit zal ervaren tussen een 10 of een 16 megapixel-camera. Meer pixels zijn in veel gevallen een overbodige luxe, die – vooral op een kleine sensor – voornamelijk leidt tot mindere beeldkwaliteit op hogere lichtgevoeligheden. Een uitzondering vormen fotografen die veel aan beeldbewerking doen en regelmatig uitsneden maken of op grote formaten (>A3) afdrukken.

Het relatief beperkte aantal pixels betekent dat Nikon relatief grote pixeldiodes gebruikt op de CX-sensor. Ter vergelijking: de pixel pitch van de V1 (10 megapixels) is 3,4 micron. Die van de Nikon D5100 (16 megapixels) is 4,8 micron en die van de Sony a77 (24mp) is 3,9 micron. Op basis daarvan kun je concluderen dat Sony met haar a77 relatief bijna net zoveel pixels op een oppervlak propt als Nikon. Los van de resolutie en beeldverwerking zou dat in theorie vergelijkbare beeldkwaliteit moeten opleveren. Dankzij Nikon’s nieuwe beeldprocessor en de laatste sensortechnologie heeft Nikon alles op alles kunnen zetten om de beeldkwaliteit te maximaliseren. En dat is ook terug te zien in de testresultaten.

De beeldkwaliteit overdag is prima. De camera stelt snel scherp en produceert mooie platen. De bovenste foto is gemaakt met de 10-100mm objectief onder matige lichtomstandigheden (mist). In de automatische stand was de beeldstabilisator in combinatie met de niet zo lichtsterke superzoom niet altijd effectief genoeg om bewegingsvrije plaatjes te produceren. Handmatig een hogere gevoeligheid kiezen bood soelaas.

Uitsnede van de foto hierboven

Superzoom

De V1 voelt het best in combinatie met de 10-30 standaard zoom en de 30-110 tele. Met name de laatste biedt een behoorlijk bereik, terwijl het wat omvang betreft een normale kitlens lijkt. De 10-100 is erg comfortabel om mee te fotograferen, maar voelt zoals eerder genoemd wel wat gek op de compacte V1. Het elektronisch zoomen is wel prettig – zeker voor video.

Het bereik van de 10-100mm superzoom. Uitgezoomd en ingezoomd (ga met de muis op de foto staan).

Als we de RAW-opnamen van de Nikon 1 V1 vergelijken met de JPEG-foto’s op ISO 3200 zien we een behoorlijk verschil. De RAW-opname is beduidend scherper en bevat meer fijne details, maar is ook vrij ruizig. Toch heeft Nikon de ruis bij de JPEG-opname redelijk weten te filteren. Daarbij heeft men meteen ook de kleurverzadiging wat aangedikt om te voorkomen dat de foto’s op hoge ISO’s wat flets worden. Toch zijn sommige details in de JPEG-opname wel vrij grof geworden, wat te zien is aan de neus en de ogen.

Links: JPEG, rechts: RAW (ISO 3200)

Datzelfde zien we ook terug bij onze testkaart. Hierbij valt nog meer op dat de kleuren zijn aangepast, in negatieve zin. Door de veelvoud aan de kleuren (op onze kleurenkaart) is het geheel beeld beïnvloed waardoor een lichte groenzweem is ontstaan. Voor de duidelijkheid: het betreft dezelfde opname; de V1 sloeg de foto op in zowel het JPEG- als RAW-formaat. De RAW-opname is zonder nabewerking omgezet via Adobe Photoshop CS5.

Links: RAW, rechts: JPEG (ISO 3200)

Als we de RAW-foto’s door onze testsoftware laten beoordelen dan zien we een behoorlijk groot verschil wat betreft ruis. Overigens valt dit verschil binnen de marges. Er zijn andere fabrikanten die nog meer ruisreductie toepassen, waardoor het uiteindelijke verschil tussen JPEG en RAW nog verder oploopt.

Als we de resultaten naast de (JPEG) resultaten van een aantal andere camera’s zetten is het grote verschil nog beter te zien. Overigens hebben we in het verleden RAW-tests met de Canon EOS 600D en Nikon D5100 uitgevoerd waarbij de verschillen lang niet zo groot waren.

Als we onze testkaarten, gemaakt in de studio, laten benchmarken door professionele testsoftware (Imatest), dan rollen daar harde getallen uit. Met het blote oog heb je wellicht een indicatie van de kwaliteit, maar het is erg lastig en al snel subjectief om daar een waardeoordeel aan te hangen in de vorm van een cijfer. Onze testsoftware doet dit zonder probleem, onbevoordeeld en op basis van identieke condities.

Goede score

Zoals je in de bovenste grafiek kunt aflezen scoort de Nikon 1 V1 vrij goed, zeker als je bedenkt dat de camera een veel kleinere sensor gebruikt. Zoals eerder gezegd valt dat te verklaren door een relatief grote pixel pitch, mogelijk door het geringe aantal megapixels. Ook de CMOS-sensor, de snelle beeldprocessor en effectieve ruisreductie houden het ruisverschil met andere systeemcamera’s op ISO 3200 beperkt. Desondanks is dat een knappe prestatie. Op ISO 3200 scoort de V1 zelfs beter dan de Panasonic G3. Op ISO 6400 presteren beide camera’s overigens vrijwel identiek. De Nikon D5100 en Sony NEX-5N doen het alsnog beter, zowel in de testsoftware als in de vergelijking van beeldmateriaal op de vorige pagina.

Vergeleken met andere APS-C camera’s doet hij het erg goed, zelfs iets beter dan de Nikon D5100. Overigens is het verschil met de oude NEX-5 niet heel erg groot; deze presteerde ook al vrij goed. Hieronder zie je nog een tweede grafiek, met enkele andere camera’s (zoals de Canon 5D Mark II). In dit geval is een onderverdeling gemaakt tussen de ruis in twee verschillende grijsvlakken (in de bovenste grafiek is hiervan een gemiddelde genomen).

Achtergrondinformatie testmethodiek

We berekenen de ruis in de grijswaarden op twee verschillende manieren. Allereerst wordt bepaald wat, gerekend in bits, het verschil in helderheid tussen het donkerste (zwarte) en het lichtste (witte) vlak is. Dit is het maximale helderheidsverschil in de foto en stellen we op 100%. Daarna wordt op zes grijsvakken (zwart tot wit) bepaald wat de gemiddelde helderheidsverschillen binnen de vakken, ofwel de ruis is. De grootte van dit verschil wordt afgezet ten opzichte van het eerder bepaalde maximale helderheidsverschil en op die manier rollen en ruiswaarden in procenten uit de test. 1% ruis betekent dus dat het fluctueren van de helderheid binnen een vlak met egale kleur 100 keer zo klein is als het maximale helderheidsverschil. Idealiter zijn egale kleurvlakken helemaael egaal zijn: 0% ruis dus.

De waarden die getoond worden zijn het gemiddelde van de meting van de vier middelste grijsvlakken, variërend van donkergrijs tot lichtgrijs. Pixels bestaan uit vier elementen: Rood (R), Groen (G), Blauw (B) en de helderheid (Y) en voor elk van de elementen wordt de ruiswaarde afzonderlijkt berekend. Wij berekenen uiteindelijk ook een gemiddelde van deze vier waardes, wat uiteindelijk opgezet kan worden als een goede maat voor de gemiddelde ruis van de sensor. Uiteraard geldt nog steeds: hoe dichter bij 0% hoe beter. De testsoftware maakt hierbij onderscheid tussen middelgrijs (50% grijs) en gemiddeld grijs (20-80%, oftewel alle grijsvlakken behalve wit en zwart). 

Pluspunten

  • Compact
  • Zeer compacte objectieven
  • Goede bouwkwaliteit
  • Ingebouwde EVF
  • Goede beeldkwaliteit (tot en met ISO 3200)
  • Snelle aufofocus (contrast- èn fasedetectie)
  • Kleine innovaties (Motion Snapshot en Smart Photo Selector)
  • Tien beelden per seconde
  • Full HD 1080p video (30 bps)
  • Stereo microfoon
  • Autofocus tijdens het filmen
  • SDXC-compatibel

Minpunten

  • Prijs (matige prijs-prestatieverhouding)
  • Kleine sensor
  • Geen PASM-standen op het programmawiel
  • Geen flitser
  • Beperkte mogelijkheden met scherptediepte
  • Beperkte resolutie (10 megapixels)
  • Oververzadigde kleuren
  • Externe microfoon alleen via accessoirepoort
  • Weinig extra’s (kantelbaar scherm, touchscreen, gps)

Eindoordeel

Voor een bezitter van een compactcamera is de Nikon 1 V1 te duur. En voor ‘erbij’ voor spiegelreflexbezitters, biedt de V1 niet dezelfde beeldkwaliteit vanwege de kleinere sensor (minder megapixels, minder scherptediepte mogelijkheden). Hoewel Nikon zich onderscheidt van de concurrentie met dit eigenzinnige concept, vinden we dat de meeste van die concurrenten in dit prijssegment zowel wat betreft prijs als specificaties meer waar voor hun geld bieden. Toch is de V1 alles behalve een slecht product. Het is vooral een prestatie dat de camera ondanks de kleinere sensor op hoge ISO’s goed kan meekomen met de concurrentie. In de huidige systeemcameramarkt zijn nog geen harde standaarden, dus zal de V1 (evenals de meer betaalbare J1) zeker verkocht worden aan fotografen die graag compacte objectieven willen gebruiken. Al met al kennen we de V1 een bronze award toe.

FotoVideo.nu gebruikt voor camera- en lenzentests verschillende testkaarten en -opstellingen. De resultaten bekijken we met behulp van verschillende softwarepakketten. Op die manier is het bijvoorbeeld mogelijk om beelden naast elkaar te leggen en eenvoudig verschil in kwaliteit te kunnen zien. Voor complexere zaken, zoals kleurafwijkingen, die nauwelijks objectief met het blote oog zijn waar te nemen, gebruiken we professionele testsoftware die ook in de camera-industrie gangbaar is: Imatest. De uitkomsten zijn redelijk technisch en daardoor niet voor iedereen begrijpelijk en interessant, maar voor de volledigheid publiceren we ze erbij.

De afbeelding hierboven geeft de kleurafwijking aan, gebaseerd op een door de Nikon 1 V1 geproduceerde foto (ISO 200) van een professionele testkaart. In het centrum van een kleurenvlak zie je de kleur zoals die officieel zou moeten zijn. Deze kleur is afgestemd op de gebruikte kleurtemperatuur van de camera, die beïnvloed wordt door omgevingslicht. In het kleine vlakje rechts in het centrum zie je de oorspronkelijke kleur zonder correctie. Onderin zie je de witbalansfouten op basis van zes grijsvakken (wit, 20, 40, 60 en 80%.grijs en zwart). De kleurverzadiging hiervan is opzettelijk aangedikt zodat je het verschil goed kunt zien. Op basis hiervan kun je zien hoe goed de handmatige witbalans werkt. Aan het deel tussen de rode haakjes is de witbalansafwijking goed af te lezen (0 = perfecte grijstint, 1 = volledige kleur). 

Kleurruimte

Als je bovenstaande grafiek inclusief de gekleurde vlakken vertaalt naar de afwijking in de (CIELAB) kleurruimte, dan krijg je het onderstaande resultaat. Bij de combinatie van vierkantjes en cirkeltjes staat telkens een getal, dat overeenkomt met de 18 kleurvakken in het testpatroon. Het vierkantje geeft aan wat de kleur moet zijn in het geval van perfectie. Het cirkeltje is de kleur zoals die door de camera is geproduceerd. Oftewel: je ziet een visuele weergave van de kleurafwijking. Wat verder interessant is, is de verzadiging. Zoals gezegd passen fabrikanten vaak kleurverzadiging toe zodat kleuren er meer uitspringen. Tot op zekere hoogte is dat prima, maar op een gegeven moment wordt het onwerkelijk.

De software geeft aan dat er sprake is van een beperkte kleurafwijking en tevens van oververzadigde kleuren (20% meer dan normaal). Dat laatste is nogal aan de forse kant. Dat zien we wel vaker bij compactcamera’s (omdat consumenten volgens onderzoeken van felle kleuren houden), maar minder bij camera’s gericht op meer gevorderde gebruikers.

Hieronder zie je additionele informatie, zoals de adviesprijzen en wat extra beeldmateriaal:

De optionele flitser

De V1 met lensadapter met een AF-S objectief

De optionele GPS unit


Prijzen en beschikbaarheid

  • Nikon 1 V1 + 1 NIKKOR VR 10-30 mm – verkoopadviesprijs € 869.
  • Nikon 1 V1 + 1 NIKKOR 10 mm Pancake – verkoopadviesprijs € 919.
  • Nikon 1 V1 + 1 NIKKOR VR 10-30 mm + VR 30-110 mm – verkoopadviesprijs € 1.029.
  • Nikon 1 V1 + 1 NIKKOR VR 10-30 mm + 10 mm Pancake – verkoopadviesprijs € 1.029.

Prijzen van losse objectieven:

  • 1 NIKKOR VR 10-30 mm 1:3,5-5,6 zwart – verkoopadviesprijs € 199
  • 1 NIKKOR 10 mm 1:2,8 zwart en wit – verkoopadviesprijs € 249
  • 1 NIKKOR VR 10-100 mm 1:4,5-5,6 PD-ZOOM zwart – verkoopadviesprijs € 759
  • 1 NIKKOR VR 30-110 mm 1:3,8-5,6 zwart en wit – verkoopadviesprijs € 249


Allereerst moeten we zeggen dat het getuigt van lef van Nikon om met iets nieuws te komen, zoals de V1 met CX sensor en (daardoor) zeer compacte objectieven. Het had meer voor de hand gelegen om een APS-C sensor te kiezen, maar Nikon besloot een andere keuze te maken om zich daarmee te onderscheiden.

Eerlijk gezegd zijn we niet helemaal overtuigd van die keuze. Allereerst omdat het CX-formaat beduidend kleiner is dat het gangbare APS-C formaat, waarbij de laatste categorie wat betreft beeldkwaliteit altijd een voorsprong zal hebben (megapixels, dynamisch bereik, detail, ruis). Nikon heeft mede hierom bewust gekozen voor minder megapixels dan gemiddeld en daardoor een grotere pixel pitch. Dat is een op zich een goede keuze, maar ook dat betekent dat Nikon ook in de nabije toekomst nooit vergelijkbare specificaties zal kunnen leveren als andere systeemcamera’s. Dat probleem zien we ook al bij de MFT-sensor van Panasonic en Olympus, die de prestaties van hun APS-C concurrenten nog nooit hebben kunnen evenaren, laat staan overtreffen.  

De implementatie van een relatief kleine sensor heeft wel duidelijk geleid tot kleine objectieven, maar niet tot een supercompacte body. Wat betreft dat laatste onderscheidt Nikon zich dus niet ten opzichte van de concurrentie. Sterker nog, veel systeemcamera’s zijn kleiner dan de huidige Nikon 1-serie, terwijl ze wel een grote sensor aan boord hebben. Het is wel een feit dan de lenzen zeer klein zijn. Een nadeeltje blijft dat ze voor gebruik moeten worden uitgeschoven, maar je neemt een Nikon 1 door deze gecombineerde omvang wel erg makkelijk mee in bijvoorbeeld een tas of jaszak.

Nikon heeft vooral aan de binnenkant gezorgd voor innovaties, zoals de ingebouwde fasedetectie af-sensoren, de (daardoor) snelle autofocus en de razendsnelle beeldprocessor (600 MB/s). Aan de buitenkant missen we echte innovatie – of hadden we op z’n minst grotere verschillen verwacht ten opzichte van de J1. Concurrerende camera’s zijn voorzien van kantelbare en aanraakgevoelige lcd-schermen, meegeleverde flitsers en soms zelfs een gps-chip, maar de V1 biedt niets op dat vlak. Dat is wat karig, vooral in relatie tot de prijs.

We vinden de Nikon 1 V1 echt veel te duur met een adviesprijs van 869 euro (inclusief 10-30mm kitlens). In dat prijssegment bestaat er erg veel concurrentie van zowel (gevorderde) systeemcamera’s als spiegelreflexen. Hoewel de adviesprijs in de praktijk lager zal uitvallen, moet je er wel bij optellen dat je mogelijk nog accessoires zal willen aanschaffen, zoals bijvoorbeeld een externe flitser (die bij de concurrentie standaard meegeleverd wordt). Bovendien, voor die prijs hadden we toch minstens een PASM-knop verwacht.

Pin It
Jeroen

is mede-oprichter van FotoVideo.nu, schrijver van diverse (foto)boeken en auteur voor verschillende tijdschriften. Hij fotografeert sinds 1996 met een spiegelreflexcamera en geeft ook af en toe presentaties en workshops over fotografie. Volg Jeroen ook op Twitter.