Basiskennis: Diafragma

Door -

Het diafragma. Eén van de belangrijke fotografietermen, maar veelal onbegrepen of onbenut. Waar staat het diafragma voor, hoe vertalen de waarden zich, hoe gebruik je het en…  wat kun je er eigenlijk mee?

Het f-getal

Het diafragma van een lens bestaat uit een aantal lamellen waarmee de lensopening kan worden verkleind. Hoe groter de lensopening is, des te lichtgevoeliger de lens is en hoe kleiner de scherptediepte is. Dit resulteert bijvoorbeeld in een scherp portret met een onscherpe achtergrond, wat je krijgt bij volle lensopening (zoals f2.8). Wanneer de lensopening kleiner wordt (bijvoorbeeld f8) heeft dit twee effecten: er komt minder licht binnen, wat resulteert in langere sluitertijden, en de scherptediepte wordt groter. Wil je bij een portret zowel de persoon als de achtergrond scherp hebben, dan moet je dus een zeer kleine lensopening gebruiken (zoals f22). Het begint dus wat verwarrend: een groter getal betekent een kleinere lensopening. Laten we eens kijken hoe dat er in de praktijk uitziet:

Diafragma f2.8 (volle lensopening)

Diafragma f5.6 (de lensopening sluit zich)

Diafragma f22 (de lensopening is op het kleinste punt)

Verklaring

Aan de drie bovenstaande beelden kun je dus zien wat er zich allemaal in de lens afspeelt. Bij volle lensopening komt er het meeste licht naar binnen. De camera krijgt dan het meeste licht en is in staat snelle sluitertijden te halen. Dat verklaart ook direct het verschil tussen f5.6, f4 en f2.8 lenzen. Hoe lager de waarde, des te groter de lensopening en dus des te lichtsterker de lens is. Wanneer je de diafragmawaarde in de P- of A-stand vergroot (bijvoorbeeld naar f8) dan wordt de lensopening kleiner. Het gevolg is dat er minder licht op de sensor valt, wat een langere sluitertijd (of een hogere ISO, otfewel lichtgevoeligheid) tot gevolg heeft. Een kleinere lensopening leidt ook tot een grotere scherptediepte. Oftewel, van voor naar achteren is er meer scherp.

Wanneer je een bepaald scherptediepte-effect wilt bereiken, ofwel veel scherpte of veel onscherpte, dan kun je het beste in de P-, M- of A-stand fotograferen. In de andere standen wordt het diafragma automatisch door de camera bepaald en heb je er zelf weinig invloed in. Hooguit kun je bepaalde programmastanden, zoals de landschappen- of portretstand als alternatief gebruiken. Daarbij wordt het diafragma ook automatisch bepaald, maar dan optimaal voor het onderwerp (zoals voorgeprogrammeerd).

De A-stand staat voor aperture, wat diafragma betekent. In deze stand stel je het gewenste diafragma in (een grote of kleine lensopening), waarna de camera de sluitertijd (en eventueel ook de ISO) daarop aanpast. Dit is bijzonder handig als je de scherptediepte zelf wilt bepalen, dus met bijvoorbeeld een onscherpe achtergrond of juist zo scherp mogelijk. De meeste fabrikanten noemen dit de A-stand, maar Canon betitelt dit op haar camera’s als ‘Av’ (Aperture value). Je hoeft de waarde één keer in te stellen waarna de camera deze onthoudt en op al je vervolgfoto’s zal toepassen. Vergeet de waarde dus niet weer terug te zetten, als je klaar bent met je onderwerp.

In de P-stand kun je het diafragma ook wijzigen. Het verschil met de A-stand is dat de ingestelde waarde iedere keer automatisch vervalt, enkele seconden nadat je je vinger van de ontspanknop hebt afgehaald. In de P-stand kun je zowel de sluitertijd als het diafragma wijzigen. De M-stand is geschikt als je de volledige controle wilt hebben over zowel de sluitertijd als het diafragma (bijvoorbeeld bij flitslicht).

Diafragma f4. Er is scherpgesteld op de lantaarnpaal. De achtergrond is onscherp.

Diafragma f4. Er is scherpgesteld op het huis in de achtergrond. De lantaarnpaal is onscherp.

Diafragma f22. Zowel de lantaarnpaal (voorgrond) als het huis (achtergrond) zijn scherp.

Het diafragma heeft een directe invloed op de scherptediepte, oftewel het deel wat scherp en onscherp is. Veel scherptediepte betekent dat een foto van voor tot achter nagenoeg helemaal scherp is, zoals dat bijvoorbeeld voor landschappen gebruikelijk is. Weinig scherptediepte betekent dat een deel van een foto scherp is en een ander deel niet, wat bijvoorbeeld voor portretten als mooi ervaren wordt (omdat het model er dan meer uitspringt). Compactcamera produceren vanwege de relatief kleine sensor en lens per definitie een groot scherptediepte-gebied. Oftewel; het is lastig om onscherpte te creëren. Beperkte scherptediepte kan alleen bereikt worden door flink in te zoomen en tegelijkertijd dicht op het onderwerp te zitten. Bij spiegelreflexcamera werkt deze truc ook, maar dankzij de grote sensor en diverse diafragmastanden is het relatief eenvoudig om de scherptediepte volledig in eigen hand te houden.

Op deze foto’s is het verschil tussen een volle en een kleine lensopening duidelijk zichtbaar. In beide gevallen is op het voorste blikje verf scherpgesteld. De eerste foto is gemaakt met f22, waardoor alles scherp is. En de tweede foto is gemaakt met diafragmawaarde f1.8, wat resulteert in een zeer beperkte scherptediepte. 

 

Diafragma en de lens

De minimale waarde van het diafragma, oftewel bij volle opening, is afhankelijk van de lichtsterkte van de lens. Bij een een f3.5-5.6 lens is de laagste waarde f3.5. Bij een lichtsterke lens kan dat ook f1.8 of f2.8 zijn. Het verschil is dat lichtsterke lenzen minder scherptediepte tonen, oftewel een groter verschil tussen scherpte en onscherpte. Met een dergelijke lens kun je dus een kleiner scherptegebied creëren. Een lichtsterke f2.8 lens kan op f3.5 fotograferen, maar een f3.5-5.6 lens kan dat andersom niet (dus niet op f2.8).

Het scherpstelpunt is in combinatie met beperkte scherptediepte cruciaal. Standaard is erg op de boom scherpgesteld. Ga met je muis op de foto staan en er wordt scherpgesteld op de achtergrond.

Het verkleinen van de lensopening (oftewel het vergroten van de diafragmawaarde) heeft meerdere gevolgen. Allereerst wordt de scherptediepte, dus het deel van de foto dat scherp is, groter. Een bijkomend voordeel is dat lensfouten minder zichtbaar zijn. De meeste lenzen zijn bij volle opening (zoals f3.5) niet topscherp. Iets afstoppen, oftewel een grotere diafragmawaarde kiezen, compenseert dat. Hetzelfde geldt voor vignettering, oftewel onscherpte in de hoeken. Het sweetpoint van de meeste lenzen ligt tussen f8 en f11. Op dat punt leveren ze de scherpste resultaten met de minste lensfouten. De lens verder dichtdraaien heeft meestal geen zin, omdat de resultaten niet veel beter kunnen worden en vaak zelfs iets minder goed zullen zijn. Bij studiofotografie wordt dan ook meestal met een diafragmawaarde tussen de f8 tot f11 gefotografeerd, omdat de resultaten van de lens dan optimaal zijn. Een ander effect van een kleine lensopening is ‘stervorming’. Een sterk lichtgevend object, zoals de zon of heldere lampen in de nacht, krijgt een stereffect door interne reflecties op de randen van het diafragma. Door het aantal punten van de ster te tellen kunt u zien over hoeveel lamellen de lens beschikt. Hoewel dit in feite ook een lensfout is, is dit fenomeen behoorlijk geaccepteerd in de fotowereld en wordt het zelfs als mooi ervaren. Een nadeel van het gebruik van een kleine lensopening is dat stof op de sensor ook nadrukkelijker zichtbaar wordt. Immers, de scherptediepte wordt groter waardoor alle objecten, ver weg én dichtbij, scherp worden weergegeven.

Weinig scherptediepte is vooral bij portretten zeer wenselijk, omdat dit tot een onscherpe achtergrond leidt. (model: Zoë Vialet)

Pin It
FotoVideo.nu
FotoVideo.nu

2 reacties naar Basiskennis: Diafragma

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *