Dertien tips voor videofilmers

Door -

Het maken van een goede video vergt een combinatie van factoren: een leuk onderwerp, goede montage en kwalitatief goed bronmateriaal. Op dat laatste richten we ons in dit artikel. Middels 13 tips helpen we je op weg om het onderste uit je camera te halen en te zorgen dat je de juiste shots maakt.


1) Establishing shots

Met video leg je niet één moment vast, maar vertel je een verhaal. Om je publiek te laten begrijpen wat er gebeurt en vooral ook wáár het gebeurd, is het belangrijk om een of meerdere ‘establishing shots’ te maken. Ben je op vakantie in New York, begin je video dan niet met een video vanuit één van de drukke straten, maar probeer eerst een shot te krijgen met de bekende skyline van de stad. Op die manier geeft je de kijker een de benodigde ‘context’ zodat deze meteen begrijpt waar de video zich afspeelt.

Gebruik een establishing shot zodat de kijker weet wáár de video plaatsvindt

2) Tien seconden

Eén van de allerbelangrijkste tips die we kunnen geven is ervoor te zorgen dat je shots lang genoeg zijn. Niets is vervelender dan om er tijdens het monteren achter te komen dat je shot bewogen is of toch nét even te kort duurt. Zorg er daarom voor dat je elk shot zeven – of liever nog tien – seconden lang maakt. Dat geldt zowel voor wide shots als voor details die je opneemt. Tijdens het monteren heb je zo genoeg materiaal om mee te werken en kan je het beste deel van het shot kiezen. Zelfs al je uiteindelijk maar één of twee seconden van een shot gebruikt is het aan te raden om toch (veel) langer op te nemen.

3) Drie shots in één

Probeer elk shot waarbij de camera beweegt te zien als drie shots. Of het nou gaat om het horizontaal (pannen) of verticaal (tilten) bewegen van de camera, of om een zooomshot, in alle gevallen heb je een beginpositie, een transitiedeel en een eindshot. Door te zorgen dat je ook het beeld aan het begin en het eind van je shot minimaal zeven tot tien seconden laat duren, maak je automatisch drie shots in één. Start de opname dus ruim voordat je de beweging inzet en laat de opname aan het eind van de beweging ook nog meerdere seconden lopen. Tijdens de montage kan dit ‘onbedoelde’ extra materiaal goed van pas komen.

4) Zoom weinig, zoom langzaam, zoom snel.

Eén van de belangrijkste tips is om vooral niet te veel in en uit te zoomen. Niet alleen omdat het veel moeilijker is om een mooi stabiel shot te krijgen als je te ver inzoomt, vooral omdat het zoomen zelf vermoeiend werkt voor de kijker. Bovendien oogt het in- en uitzoomen tijdens shots erg amateuristisch; bij professionele producties zie je zoomshots alleen als ze écht meerwaarde hebben. Wil je het onderwerp groter in beeld? Loop er dan naartoe!

Toch kan het in sommige gevallen juist wél goed zijn om een zoomshots te gebruiken. Bijvoorbeeld om middels een uitzoom-shot langzaam prijs te geven in welke omgeving het onderwerp zich bevindt. Of om de aandacht van het publiek langzaam naar een detail in het shot toe te trekken.

Wil je een dergelijk shot maken, doe dat dan bij voorkeur meerdere keren met verschillende zoomsnelheden. Tijdens het monteren kan je vervolgens kiezen welk shot qua tempo het best in de video past. Lukt het om continuïteitsredenen niet om een shot meerdere keren te doen, let er dan op dat je niet te langzaam, maar ook niet te snel zoomt. Een shot van vijftien seconden wordt al snel saai, maar als je binnen een seconde van groothoek naar maximale telezoom gaat, zullen de kijkers je shot niet kunnen volgen.

5) Statief is je beste vriend

Hoewel niet elke situatie zich ervoor leent, is een goed statief eigenlijk onmisbaar voor de serieuze videofilmer. Want hoewel beeldstabilisatie bij moderne camera’s érg goed werkt, biedt niets de stabiliteit van een statief. Niet alleen voor statische shots is een statief eigenlijk onmisbaar, ook pans en zoomacties zien er veel rustiger en professioneler uit wanneer een statief gebruikt wordt.

Het voert te ver om hier uitgebreid aankoopadvies te geven, maar let erop dat een fotostatief vrijwel nooit geschikt is voor video: een fotostatief heeft een kop die bedoeld is om in één stand vastgezet te worden, terwijl een videokop juist mooi vloeiend moet kunnen draaien. Een statief met vloeistofgedempte kop is daarom aan te raden voor video. Prijzen hiervan lopen sterk uiteen en het gewicht van de camera moet goed afgestemd zijn op de videokop voor optimaal resultaat. Het loont daarom de moeite om met je eigen camera naar een speciaalzaak te gaan en verschillende statieven uit te proberen.

Een videostatief heeft een vloeistofgedempte kop die het mogelijk maakt de camera vloeiend te bewegen.

6) Twee of drie contactpunten

Film je uit de hand, dan is het zaak om de camera zoveel mogelijk contactpunten met je lichaam te laten hebben. Eén contactpunt heb je altijd, namelijk de hand waarmee je dat camera vasthoudt. Gebruik ook altijd je tweede hand om de camera te ondersteunen. Bij de meeste compacte camcorders biedt het uitklapbare LCD-schermpje een uitstekend tweede contactpunt. Door de camera met twee handen beet te houden worden je shots meteen een heel stuk stabieler en heb je bovendien betere controle bij het bewegen van de camera.

Om je shots nog stabieler te krijgen, is het aan te raden ook een derde contactpunt te gebruiken. Bij grotere camera’s kan je deze tegen je schouder laten rusten, bij compacte camcorders is dat niet mogelijk. Hoewel het er wat vreemd uitziet, kan het toch de moeite zijn om de camera tegen je wang of jukbeen te houden voor extra stabiliteit.

Een ander optie is een speciaal schouderstatief. Als gevolgd van de toenemende populariteit van de spiegelreflexcamera als videocamera zijn er inmiddels tientalleen oplossingen op de markt om betere controle over je camera te krijgen. Deze lopen uiteen van eenvoudige beugels van enkele tientjes tot compleet instelbare ‘rigs’ bestaande uit buizen en klemmen, waarvan de prijs kan oplopen tot ver boven de duizend euro. Hoewel deze oplossingen primair bedoeld zijn voor DSLR camera’s, zijn ze ook zeer bruikbaar voor normale compacte videocamera’s.


Een (schouder)rig biedt extra ondersteuning en zorgt voor stabielere shots

8) Handheld shots met een statief

Zodra je met een camera gaat lopen zal je merken dat het beeld begint te schokken bij het neerzetten van je voeten. Camera’s met goede beeldstabilistatie kunnen dit deels ondervangen, maar helemaal vloeiend wordt het beeld er niet door. Voor professionele producties wordt vaak een steadycam gebruikt, een bewegingsdempende arm die middels een harnas met het lichaam van de cameraman verbonden is. Dergelijke oplossingen zijn helaas érg duur en bovendien onpraktisch als je snel wilt filmen.

Er is echter een goedkopere manier om handheld shots meer stabiliteit te geven. Gebruik hierdoor een lichtgewicht videostatief of een fotostatief met een gewicht van drie tot vijf kilo. Monteer de camera op het statief en klap de poten in. Als je de camera nu handheld gebruikt, bungelt het statief als een trillingsdempend gewicht onder de camera. Hoe verder je de poten uitgeschoven houdt, hoe meer ook rolbewegingen tegengegaan worden.

Door de (relatief) zware combinatie van camera en statief met semi-gestrekte armen zo’n halve meter bij je lichaam vandaan te houden, gaan je armen automatisch als schokdempers dienen. Shots waarbij je loopt zullen op deze manier veel stabieler worden dan wanneer je alleen de camera vasthoudt. Nadeel is uiteraard dat het extra gewicht snel tot vermoeidheid leidt, zeker wanneer je de camera ook nog op enige afstand van je lichaam houdt.

9) Beeldkwaliteit

Een universele tip is dat je sowieso in de best mogelijke kwaliteit moet opnemen die jouw camera biedt.  Heb je een camera die in 1080p kan opnemen, maar wil je jouw video’s alleen in SD-kwaliteit op DVD branden? Kom dan niet in de verleiding om ruimte te besparen door in een lagere kwaliteit op te nemen en bijvoorbeeld voor 720p of SD-kwaliteit te kiezen. Bij het her-comprimeren na bewerking gaat altijd iets aan kwaliteit verloren en bovendien biedt een beeld met hoge resolutie en bitrate een véél scherper beeld, wat je eventueel de mogelijkheid biedt om tijdens de montage in te zoomen zonder dat je daarbij aan scherpte verliest in je uiteindelijke montage.

Behalve de hoogste resolutie is het ook zaak te kiezen voor de hoogst mogelijke bitrate. Om ruimte op de harddisk of geheugenkaart van de camera te besparen bieden veel apparaten de optie om in de hoogste resolutie te kiezen voor presets met verschillende bitrates. Ook hier geldt: kies altijd voor de hoogste bitrate. Vooral bij snelle bewegingen in beeld is de scherpte dan beter en treden er minder snel compressiefouten op.

Een laatste punt is de framerate. Daarbij ligt de keuze genuanceerder. In Europa gebruiken we sowieso een 50Hz systeem voor televisie, waardoor de keuze voor 30 of 60 beelden per seconde – als de camera die al biedt – niet logisch is. Bij camera’s die laten kiezen tussen 25 of 50 beelden per seconde is de keuze ook niet altijd makkelijk: in veel gevallen zal het gaan om 25 beelden in progressive (p) mode, en 50 beelden in interlaced (i) modus. Zonder de verschillen hier uitgebreid te behandelen kan gesteld worden dat interlaced beeld bij bewegingen minder scherp is dan progressive. Daar staat tegenover dat opname in 50i modus een vloeiender beeld oplevert dan 25p, al kan dat laatste juist een voordeel zijn als je bewust op zoek bent naar een ‘filmlook’.

Maak je de video’s bovendien primair voor internetgebruik, dan ligt 25p ook voor de hand, omdat webvideo met 25 of 30 beelden per seconde werkt en altijd progressive is. Het beste van twee werelden is 50p, al vinden we die optie nog niet op veel consumentencamera’s terug. 50p biedt én maximale scherpte én vloeiend beeld.

5) Hulpkaders en compositie

De meeste videocamera’s bieden de optie om hulpkaders of rasters te tonen. Veelvoorkomend zijn hulplijnen op 1/3 van het beeld, waardoor je beeld in negen vakken verdeeld wordt. Gebruik deze lijnen als hulp bij compositie. Shots waarbij het onderwerp zich in het midden van het beeld bevindt zien er saai uit. Door je onderwerp op 1/3 vanuit de zijkant te plaatsen, wordt het shot al snel interessanter. Zorg er ook voor dat het hoofd zich op 1/3 van de bovenkant van het beeld bevinden en niet in het midden. Hetzelfde geldt voor de hoogte van de horizon, zet deze bewust op (ongeveer) 1/3 of juist op 2/3 van de hoogte van het shot.


Hulpkaders geven assistentie bij het maken van de juiste compositie

10) Belichting

Goede belichting maakt het verschil tussen een video die er amateuristisch uitziet en een professioneel resultaat. Alle camera’s kunnen de belichting automatisch instellen en in de meeste gevallen levert dat prima resultaten op. Maar vooral wanneer er veel contrast in het beeld is, bijvoorbeeld bij opnamen binnenshuis met door zonlicht verlichte ramen op de achtergrond, raken heldere delen van het beeld snel overbelicht. En dat is vervelend, want overbelichting valt achteraf met videobewerkingssoftware niet of nauwelijks te verhelpen.

Het is dan ook zaak om de belichting goed in de gaten te houden. Wanneer jouw camera beschikt over een zebra- of histogramfunctie is het aan te raden deze in te schakelen en om zo gemakkelijk te controleren of het beeld niet overbelicht raakt. Bij (semiprofessionele) camera’s die de belichting handmatig laten instellen via knoppen en draaiwieltjes zijn instelfouten gemakkelijk te corrigeren. Bij veel consumentencamera’s zit de optie voor handmatige belichting echter in het menu verstopt, zodat deze niet (gemakkelijk) gebruikt kan worden tijdens het filmen zelf.

Wil je zeker weten dat je niet overbelicht, kies er dan voor om belichtingscompensatie in te schakelen. Door bij heldere omstandigheden één of twee stapjes te onderbelichten, voorkom je dat heldere delen van het beeld details verliezen. Vind je het beeld achteraf in het geheel te donker, dan is dit softwarematig op te lossen door helderheid, contrast en/of gamma aan te passen. Let er overigens wel op dat je niet te ver onderbelicht, want dan wordt het beeld te donker en verlies je juist weer details in donkere delen van het beeld.

11) Cameraprofiel

Veel videocamera’s en ook digitale spiegelreflexcamera’s bieden de mogelijkheid om verschillende camera- op kleurprofielen te gebruiken bij het opnemen van video. Deze profielen bepalen de mate van kleurverzadiging, maar vaak ook de contrastinstelling en de scherpte van het opgenomen beeld. Zo geeft een ‘cinema’ profiel vaak een wat contrastrijker beeld waarbij details in donkere delen van het beeld als zwart worden weergegeven en lichte delen juist extra helder worden gemaakt. Beschikt jouw camera over dergelijke opties kies dan voor de neutral, natural, flat of uit-stand. Want hoewel veel kleur en een hoog contrast een lekker knallend plaatje opleveren, biedt het je bij het bewerken achteraf weinig mogelijkheden om het beeld aan te passen.

Kies je daarentegen voor ingetogen instellingen met matig contrast en minder knallende kleuren, dan heb je tijdens de montage veel meer vrijheid om het beeld aan te passen. Bovendien is extra kleur en contrast toevoegen altijd mogelijk, terwijl een te hoog contrast en te felle kleuren netjes terugbrengen vaak veel lastiger is.

12) Telefoon als camera

De camera’s in mobiele telefoons worden steeds beter en hoewel de kwaliteit en mogelijkheden het nog altijd niet halen bij die van een goede camcorder, heb je je telefoon wél altijd op zak. Heb je dus even geen échte camera bij de hand en wil je wel filmen, dan is de mobiele telefoon een goede optie. Hoewel de mogelijkheden verschillen willen we graag twee tips geven. De eerste is meteen de belangrijkste: houd je telefoon in de landschapstand! Televisies en monitoren zijn niet bedoeld voor ‘vertikale’ 9:16 video’s. Filmen met je mobiel? Nooit rechtop dus!

De tweede tip is om je mobiel zo stil mogelijk te houden. Omdat de sensors in mobiele telefoons langzaam uitgelezen worden gaat het beeld snel ‘golven’ bij snelle (tril)bewegingen van je hand. Houdt de telefoon dus met twee handen vast voor een zo stabiel mogelijk resultaat en beweeg de camera langzaam.

13) Regels, welke regels?

Alle tips in dit artikel zijn niet meer dan tips. Uiteraard kan je er van afwijken om juist een eigen look te creëren. Bij interviews op bijvoorbeeld MTV en bij veel webcasts is het tegenwoordig bijvoorbeeld zo dat er opzettelijk heftig wordt in- en uitgezoomd tijdens shots, dat er expres off-focus wordt gedraaid, of dat de camera snelle en abrupte bewegingen maakt. Dat geeft de video een dynamische look, ook als er feitelijk weinig gebeurt in beeld. Nadeel is dat het erg vermoeiend is om naar te kijken en deze methode minder goed werkt als er juist wél veel in beeld gebeurd, want dan is het lastig voor de kijker om te volgen wat er gebeurd.

Regels zijn er dus om gebroken te worden en wat voor het ene onderwerp goed werk, zal in andere gevallen een te saai of juist te druk eindresultaat opleveren. Eén tip gaat echter sowieso altijd op: oefening baart kunst. Schiet dus zoveel mogelijk, leer je camera goed kennen, bekijk je eigen werk kritisch, vraag feedback aan anderen en wees niet bang om te experimenteren!

Pin It
FotoVideo.nu
FotoVideo.nu

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *