Licht en Belichting

Door -

Er is altijd licht nodig om een foto te maken. Hoeveel, dat hangt van diverse factoren af. Via de belichting bepaal je hoe de camera het aanwezige licht moet gebruiken. Licht en belichting zijn dus twee verschillende begrippen, maar hebben enorm veel met elkaar te maken. Ze bepalen voor een groot deel of je foto slaagt.

Steeds weer anders

Gedurende de dag zijn de lichtomstandigheden nooit lang hetzelfde. ’s Morgens gaat de zon op, midden op de dag staat deze natuurlijke lichtbron hoog aan de hemel en ’s avonds duik de zon weer onder. Gedurende deze tocht langs de hemel verandert het licht continue en daarmee ook de schaduwen die het veroorzaakt. Zijn we binnen, dan is de invloed van het natuurlijke licht ineens veel kleiner. Om binnenshuis het tekort aan licht aan te vullen, maken we gebruik van kunstlicht: allerlei soorten lampen. Behalve dat de lichtintensiteit ervan varieert, is ook de kleur van het licht verschillend.


Het licht om ons heen is steeds weer anders

Waarnemen

Waar we ook zijn, buiten varieert het licht van moment tot moment en van plek tot plek. Toch merken wij daar over het algemeen weinig van. Dat komt doordat onze ogen en de grijze massa onder onze schedeldaken zich continu aan de omstandigheden aanpast. Zonder erbij na te denken verwachten wij van onze camera’s hetzelfde. Dat zodra we het toestel ergens op richten, het toestel zelf wel weet wat er gefotografeerd moet worden en op welke manier. In de praktijk werkt dat niet zo. Camera’s worden de laatste jaren wel steeds slimmer en ze zijn steeds beter in staat om goed belichte en kleurechte foto’s te maken, maar fototoestellen winnen het vandaag de dag nog niet van het menselijk waarnemingsvermogen. Dit betekent dat wij de camera onder diverse (licht)omstandigheden een handje moeten helpen. Om te voorkomen dat foto’s onnodig mislukken. Dat is echt niet ingewikkeld en het kost je geen bergen tijd. Er zijn eigenlijk maar een paar zaken waar je aandacht aan moet besteden. Daarmee schiet de kwaliteit van je foto’s als een raket omhoog.

De juiste hoeveelheid

Licht is iets dat er is of er niet is en kan vele vormen aannemen. De zon, een gloeilamp of een kaarsvlammetje geven allemaal licht, maar op elkaar lijken? Dat doen ze niet. Belichting is de manier waarop je van licht gebruik maak om een foto te maken. Het basisprincipe is dat je maar kort hoeft te belichten als er heel veel licht is. Als er weinig licht is moet je juist langer belichten. Een foto maken houdt dus eigenlijk in dat je een afgepaste hoeveelheid licht in de camera laat vallen. Komt er te weinig licht in de camera? Dan krijg je een donkere foto. Valt er te veel licht in het toestel, dan verandert je foto deels in een lelijke witte vlek: overbelicht.

Er zit slechts zestien seconden tussen beide opnamen. Toch zien ze er totaal verschillend uit. Het verschil? Zonder en met zon
(beweeg met de muiswijzer over de foto om het verschil te zien)  

De drie-eenheid

De belichting stel je in met slechts drie bouwstenen: sluitertijd, diafragma en iso-waarde (lichtgevoeligheid). Meer is er niet nodig, dus dat valt alles mee. Ze worden uitgebreid besproken in het onderdeel basiskennis op FotoVideo.nu. Met deze drie-eenheid kan onder alle lichtomstandigheden de juiste belichting voor een foto bepaald worden. Mits er in ieder geval een beetje licht is. Alleen in absolute duisternis lukt het niet. Als er te weinig licht is kun je daar uiteraard zelf voor zorgen door bijvoorbeeld een flitser te gebruiken, maar dat laten wij hier buiten beschouwing. Zodra je het verband tussen sluitertijd, diafragma en iso-waarde begrijpt, ben je beter in staat om onder diverse lichtomstandigheden goed belichte foto’s te maken.

Met de juiste belichting maak je onder alle lichtomstandigheden een goede foto.

Sluitertijd

We beginnen met de sluitertijd. Als het erg licht is, bijvoorbeeld midden op een zonnige zomerdag, hoeft er maar een fractie van een seconde licht op de beeldsensor te vallen. Is er juist weinig licht, zoals ’s avonds in de schemering, dan moet de camera meer moeite doen om voldoende licht te verzamelen. Elke camera heeft daarom een mechanisme waarmee geregeld wordt hoelang het licht op de beeldsensor valt. Dat is de sluiter. Het is een soort gordijn dat razendsnel open en weer dicht gaat. Het bevindt zich tussen de lens en de beeldsensor. Zodoende valt er alleen bij geopende sluiter licht op de beeldsensor. Zodra de sluiter dichtgaat is de belichting afgelopen en de foto gemaakt. De sluitertijd bepaalt dus hoelang er licht op de beeldsensor valt. Bij veel licht volstaat een korte sluitertijd. Bij weinig licht is een lange sluitertijd nodig.

Bij weinig licht zoals hier kan met een sluitertijd van zes minuten alsnog een foto gemaakt worden.

Diafragma

In elke lens zit een diafragma. Dit is een (nagenoeg) cirkelvormige opening waarvan de grootte instelbaar is. Hiermee regel je hoeveel licht er via de lens de camera instroomt. Met andere woorden, door het diafragma een stukje te sluiten, doe je net alsof het donkerder is dan het in werkelijkheid is. Doordat de lensopening instelbaar is en hiermee de hoeveelheid licht die door de lens stroomt, heb je veel vrijheid om een bepaalde sluitertijd te kiezen.

Slim combineren

De combinatie van sluitertijd en diafragma bepaalt al voor een groot deel de belichting van de foto. Je kunt het vergelijken met een waterkraan. Die kun je helemaal opendraaien of een stukje. Daarmee regel je de hoeveelheid water die gelijktijdig uit de kraan stroomt: een enorme stroom, een dun straaltje, of enkele druppels per minuut. In een camera staat dit voor het diafragma. Daarnaast kun je een kraan heel kort openen of uren open laten staan. Hoe langer de kraan is geopend, hoe meer water er doorheen gaat. Dit is de sluitertijd. Door de kraan een stukje open te draaien (diafragma) en het water een tijdje te laten stromen (sluitertijd), vang je een bepaalde hoeveelheid water op in een emmer (de belichting).

Je laat de ‘kraan’ lang genoeg openstaan om voldoende licht te verzamelen.

Spelen met een kraan

De truc is nu om met deze twee variabelen te spelen, zodat je steeds de juiste hoeveelheid water (licht) krijgt. Stel dat je een emmer wilt vullen met water. Je kunt de kraan voluit opendraaien en snel daarna weer dicht. In korte tijd heb je dan een goed gevulde emmer. Je kunt de kraan ook op de druppelstand zetten en na een paar uur kijken of de emmer eindelijk vol is (en op een zomerse dag ontdekken dat alles ondertussen alweer verdampt is). Dit zijn natuurlijk wel de twee extremen, er zijn ontelbaar veel variaties mogelijk.

Creatieve mogelijkheden

Misschien vraag je je af waarom er zo veel manieren zijn om simpelweg een emmer met water te vullen. Oftewel: waarom meerdere combinaties van sluitertijd en diafragma toch exact dezelfde belichting geven. De reden is dat deze instellingen voor meer zaken gebruikt worden dan alleen de belichting. Met de sluitertijd bepaal je namelijk niet alleen hoe lang er licht op de beeldsensor valt, maar ook of bewegende voorwerpen haarscherp dan wel bewogen (vervaagd) op de foto komen. Het diafragma bepaalt hoeveel licht er door de lens stroomt, maar ook de scherptediepte. Scherptediepte is het gebied voor en achter het scherpstelpunt dat door ons nog als scherp ervaren wordt. Met andere woorden, behalve voor het bepalen van de belichting, zijn het vooral twee creatieve middelen waarmee je het uiterlijk van je foto’s helemaal naar smaak kunt bepalen.

Vijftien seconden bij diafragma f/8 of dertig seconden bij diafragma f/11 is vooral te zien aan de beweging van water en rookpluimen
(beweeg met de muiswijzer over de foto om het verschil te zien)  

ISO-waarde

Bij weinig licht is het lastig om de gewenste combinatie van diafragma en sluitertijd in te stellen. Je moet de lens dan helemaal openzetten en een lange sluitertijd gebruiken. Daardoor heb je weinig keuzemogelijkheden. In die gevallen kan de derde factor van de belichting ons redden. Door nu een hogere iso-waarde (lichtgevoeligheid) in te stellen, maken we de beeldsensor gevoeliger voor licht. Het lijkt dan lichter te zijn dan het in werkelijkheid is. Uiteraard is dit niet zo, het enige wat er gebeurt is dat het signaal elektronisch versterkt wordt. De chip wordt dus niet echt gevoeliger. Het voordeel is dat allerlei diafragmawaarden en sluitertijden nu weer te gebruiken zijn. Nadeel is dat niet alleen het licht maar ook allerlei ruis versterkt wordt. Bij de hoogste iso-waarden neemt de technische kwaliteit van de foto daarom af. Er ontstaan allerlei spikkels in de foto die er niet thuishoren, vooral in de wat meer donkere delen van het beeld. Wanneer de ruis echt storend wordt varieert per camera. Compact- en telefooncamera’s hebben er sneller last van dan spiegelreflexcamera’s.

Redelijk snelle sluitertijden zijn ook bij weinig licht mogelijk dankzij een hogere iso-waarde.

Camerastanden

Elke camera zal in de automatische stand zelf een geschikte sluitertijd, diafragma en iso-waarde uitkiezen. Daarnaast zijn er op de meer uitgebreide camera’s allerlei standen te vinden waarin je zelf het diafragma, de sluitertijd, of beide kunt instellen. Ook de iso-waarde kun je zelf instellen. Welke stand je kiest hangt af van het effect wat je in je foto nodig hebt. In  de Av-stand kies je zelf een diafragmawaarde. Dit doe je met name als je de scherptediepte in de hand wilt houden. Heb je met bewegende onderwerpen te maken en wil je bepalen of ze scherp of juist met bewegingsonscherpte worden vastgelegd, dan schakel je meestal over naar de Tv-stand. Werk je onder lastige lichtomstandigheden, dan is de M-stand beter geschikt.

Inschatten van de situatie

Elke camera probeert onder alle lichtomstandigheden een juist belicht foto te maken. Dat wil niet zeggen dat het ook altijd lukt. Soms wordt een foto alsnog te donker (onderbelicht) of juist te licht (overbelicht). Dit heeft te maken met waar wij dit verhaal mee begonnen zijn. Een camera kan niet altijd goed inschatten onder welke lichtomstandigheden een foto gemaakt wordt. Iets wat wij mensen wel kunnen. Een fototoestel verwacht een bepaalde hoeveelheid licht. Denkt de camera dat het lichter is dan gemiddeld, dan zal het automatisch korter gaan belichten om te voorkomen dat de foto overbelicht raakt. Alleen: vergist het toestel zich hierbij, dan raakt je foto juist onderbelicht. Hetzelfde gebeurt als er maar weinig licht is. Dan belicht de camera vanzelf langer om dit voor je op te lossen. Ook nu geldt dat een vergissing averecht werkt. Fotografeer je in een sfeervol restaurant zonder te flitsen, dan krijg je zomaar een overbelichte foto. Weg sfeer!

Voor een sfeerfoto als dit is het meestal nodig om de camera bij te sturen.

Meer of minder dan gemiddeld

Altijd als er meer of minder licht is dan gemiddeld, loop je kans op verkeerd belichte foto’s. In bijvoorbeeld een zonverlicht sneeuwlandschap is er extreem veel licht. Alleen is het nu niet de bedoeling dat de camera gaat onderbelichten, want dan wordt de foto te donker en verandert de sneeuw in smerig grijs. Jouw camera weet nu eenmaal niet dat je in de sneeuw staat, het merkt alleen dat het landschap bovengemiddeld fel verlicht is en wil dit voor je oplossen. Zie je ’s avonds allemaal mooi verlichte gebouwen en wil je daar een foto van maken? Als je niet ingrijpt zal de camera net zo lang belichten totdat het lijkt of je de foto bij midden overdag hebt genomen. Dag sfeer, dag mooie verlichting!

Alleen door over te belichten komt de sneeuw helderwit op de foto
(beweeg met de muiswijzer over de foto om het verschil te zien) 

Zelf bijsturen

Krijg je in een (half)automatische stand te maken met een overbelichte of onderbelichte foto, dan heb je met lichtomstandigheden te maken die afwijken van het gemiddelde. Dit is eenvoudig op te lossen. Er zit een speciale knop of menuinstelling op je camera, genaamd belichtingscompensatie. Vaak staat er een symbool bij van een plus/minteken. Is het donkerder dan gemiddeld en belicht de camera te lang (wat zwart moet zijn wordt op de foto grijs)? Dan stel je een negatieve waarde in om de camera opdracht te geven korter te belichten. Is het erg licht en belicht de camera hierdoor te kort (wit wordt grijs), dan stel je een positieve waarde in om langer te belichten. Als je dit regelmatig doet, bouw je ervaring op. Na een tijdje zie je van te voren of je belichtingscompensatie nodig hebt. Belangrijk om te onthouden is dat je bij veel licht dus moet overbelichten en bij weinig licht juist onderbelichten! Dat klinkt misschien tegenstrijdig, maar je compenseert het gedrag van de camera.

In dit donkere olifantenverblijf was sterk onderbelichten nodig.

Belichtingscompensatie

Zodra je een overwegend donker gekleurd onderwerp in beeld neemt, is de kans groot dat het overbelicht op de foto komt. Zoals een zwarte kat, of een zwarte panter in een donkere hok in de dierentuin. Je verhelpt dit euvel door een belichtingscompensatie van bijvoorbeeld -1 of -2 in te stellen. De camera belicht dan korter, zodat zwart netjes zwart blijft. Heb je juist met een lichtgekleurd onderwerp te maken, zoals een bruid die voor een witte muur poseert, of een witte poes die door de sneeuw banjert, dan kun je ervan uitgaan dat de camera veel te kort belicht en alles donker, grauw en grijs op de foto komt. Hier stel je juist een positieve belichtingscompensatie in, bijvoorbeeld +1 of +2. Welke waarde je instelt hangt af van de lichtomstandigheden en is een kwestie van uitproberen en ervaring opdoen.

Door de felle lucht zou de plant erg donker worden. Daarom is hier overbelicht.
(beweeg met de muiswijzer over de foto om het verschil te zien) 

Gereflecteerd licht

Alleen lichtbronnen stralen licht uit. De zon, een flitser, de lantaarnpaal voor de deur en onze lampen binnenshuis. Een landschap geeft geen licht, maar reflecteert zonlicht. Binnen kunnen we de krant lezen omdat er daglicht via een raam of licht van een lamp op het papier valt. Om een heel lang verhaal heel kort te maken, een camera ziet voornamelijk licht dat ergens door gereflecteerd wordt. Maar omdat niet alles evenveel licht reflecteert, maakt het toestel hierbij soms een inschattingsfout. Een zwarte wand reflecteert bijvoorbeeld veel minder licht dan een spierwitte muur. Zelfs als er exact evenveel licht opvalt, komen ze daardoor verkeerd op de foto te staan. Want richt je de camera om beurten op deze muren, dan meet de camera in het eerste geval heel weinig licht en in het tweede geval juist veel licht. Toch is het niet ineens lichter of donkerder geworden! Dit is de reden waarom soms om onverklaarbare redenen een foto zomaar verkeerd belicht wordt. Het is dus uiteindelijk wel verklaarbaar: reflectie. Wij mensen zien de muren wel zoals ze horen te zijn. Wij weten altijd meer dan een camera. Wij snappen namelijk waar we naar kijken.

Een krokodil in een ruimte met weinig licht vraagt om onderbelichting. Anders wordt de foto veel te licht.

Tot slot

Tot slot is ook het formaat van het onderwerp belangrijk. Hoe groter het hoofdonderwerp in beeld staat, hoe meer het van invloed is op de belichting die de camera kiest. Neem je iets echter maar klein in beeld, dan telt het ineens veel minder zwaar mee. Vooral de omgeving bepaalt dan de gekozen belichting. Kijk daarom niet puur en alleen naar het onderwerp, maar altijd in relatie tot het totale beeld!


Het onderwerp is licht en redelijk groot in beeld. De achtergrond is echter nogal donker.
Uiteindelijk bleek een kleine onderbelichting nodig.

Pin It

is zelfstandig tekstschrijver en fotograaf. Hij schrijft en fotografeert voor uiteenlopende bedrijven en diverse fotografie- en computerbladen. Verder is hij auteur van de boeken Licht en belichting en Kinderen in de fotografiereeks van Pearson Education. Spannende verhalen schrijft hij ook graag en er staan inmiddels diverse publicaties op zijn naam.

1 reactie naar Licht en Belichting

  1. Hallo,
    Dit artikel maakt al veel duidelijk! Wat me alleen in verwarring brengt is het stukje over ‘Belichtingscompensatie’, waarbij je over-of onderbelicht met de (EV dacht ik?) knop -3 t/m +3 vaak. Wanneer gebruik je nu diafragma en sluitertijd om de belichting aan te passen en wanneer die aparte instelling die onder ‘Belichtingscompensatie’ wordt besproken.

    Gr. Kelly

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *